De Zondvloed

 

I’m gonna say everything that I need to say
Although you’ve taken everything I need away
I’m gonna take you to the place I need to go
We’re all just walkin’ through this darkness on our own

War on Drugs, I don’t live here anymore

 

Het is begin januari als ik in de auto zit samen met mijn dochter en haar vriendinnetje, om het meisje terug te brengen naar een dorpje dat zo’n 10 kilometer verderop ligt. Het gekwetter van de twee meisjes op de achterbank dringt nauwelijks tot me door. Het is het einde van een stralende winterdag: in het oosten verandert de diepblauwe lucht naar geleidelijk naar zwart, en in het westen gaat het blauw over in prachtige schakeringen van rood-oranje licht, daar waar de zon al achter de horizon is verdwenen. Het is weer bijna avond, en er komt wéér een nacht. En vervolgens komt het deel van de dag waar ik het minst naar uitkijk, en die het liefst slapende door zou brengen: de ochtend. Het is het meest nutteloze deel van de dag, enkel en alleen geschikt om de kwade geesten van de nacht het cerebrale pand uit te jagen. Waar ze de volgende nacht gewoon weer in terug sluipen.

Hoe nu verder? Mijn dagen als praktiserend arts zijn geteld. Te uitgesproken. Te non-conformistisch. Niet in staat om zich aan kledingvoorschriften, richtlijnen en protocollen te houden die door de hogere goden in de geneeskunde in elkaar worden geflanst. Of deze protocollen en richtlijnen zinvol zijn of niet, doet niet ter zake. Zo lang ze maar gevolgd worden. Geprotocolleerd wordt er veel in de geneeskunde, nagedacht steeds minder. Want waar het protocol begint, eindigt het nadenken.

Ik ben terug op de afdeling neurologie van een van de ziekenhuizen waar ik nog niet zo lang geleden waarnam. Een 87-jarige vrouw staat op het punt om overgeplaatst te worden naar het verpleeghuis. Ze is halfzijdig verlamd, niet in staat zich verbaal te uiten, en het is maar de vraag of ze ons begrijpt. Een afasie. En een ernstige ook. Ik heb het de familie uitgelegd, en ik zie een van haar zonen, zelf al dik in de zestig, zachtjes zijn hoofd schudden:

“Moet dat nog allemaal? Ik weet zeker dat moeder dit niet gewild zou hebben.”

Ik voel met hem mee, want voor mijn gevoel heeft hij gelijk. Waarom moet dit allemaal nog?

Ik weet het niet.

Blijkbaar heeft God, of wie dan ook, niet heel goed nagedacht over het einde van een mensenleven. En valt daarom met enige regelmaat het ene orgaan (veel) eerder uit dan het andere, waar je zou willen dat ze van de ene dag op de andere, in goed onderling overleg en in volle harmonie, er samen in één keer de brui aan geven. En samen de afgrond van het multi-orgaanfalen inspringen. Eind goed, al goed. Maar die interne communicatie ontbreekt nogal eens tussen de verschillende organen in het lichaam. De ogen zien nog goed, maar de oren laten het afweten. De nieren vallen langzaam droog, maar het hart boemelt nog rustig door. En al is het brein allang de weg kwijt, de benen blijven de geijkte rondjes lopen.

Nee, dat einde, daar is niet goed over nagedacht. Dat had toch een stuk netter, korter en krachtiger gekund. Niet een houdbaarheidsdatum voor ieder afzonderlijk orgaan, maar gewoon een stempel op het geheel, met een duidelijke vervaldatum. Zodat er daarna gewoon afgewerkt en opgeruimd kan worden.

“Waarom moet dat allemaal nog met moeder.”

Van mij hoeft het allemaal niet. Maar ik heb dit niet bedacht. En ik kan er niets aan veranderen. Het leven stokt en stottert, alvorens het lichaam en de geest er definitief de brui aan geven. Wie ben ik om dat te willen veranderen? Dat is dan ook mijn antwoord op de vraag van de zoon. Hij begrijpt het wel. Ik zou zijn moeder dit willen besparen, maar dat ligt niet binnen mijn mogelijkheden. Ik kan het lijden alleen verlichten, maar moeder moet zelf het laatste stukje afleggen. Op eigen kracht. En alleen.

In Duitsland heb ik geleerd dat als patiënt het ziekenhuis verlaat, de ontslagbrief klaar moet zijn. Zodat de volgende dokter weet wat er loos is met de bewuste persoon, wat er met de persoon gebeurd is, wat voor effect dat heeft gehad, en wat er van patiënt – ondanks of dankzij de dokter – overgebleven is, en wat wij in onze wijsheid bedacht hebben wat er allemaal nog aan medicatie in het kreupele restje mens gestopt moet worden.

En dat is nog heel wat bij moeder.

Zo krijgt zij niet alleen twee bloedverdunners, nee, moeder krijgt ook nog een plaspil, oeps, nee, zelfs twee, een middel om de cholesterol te verlagen, een snufje van een antipsychoticum om de onrust te bestrijden, en natuurlijk ook een slaappil. En warempel, ook paracetamol blijkt nog dagelijks door de voedingssonde te worden gepropt. Voor de zekerheid, ook al laat ze geen enkel teken van pijn zien. De laatste reis mag kan blijkbaar niet gemaakt worden zonder een indrukwekkende stapel aan pillen en poeders.

Ik vraag de arts-assistent:

“Wat wil je eigenlijk bereiken met al deze medicatie?”

Ze kijkt me niet begrijpend aan.

Ik schud, enigszins geërgerd, zachtjes mijn hoofd: “Wat is je doel? Iemand moet minstens een aantal jaren een statine (cholesterolverlagend geneesmiddel) slikken om er mogelijk enig voordeel van te hebben qua overleving. Als dat al zo is. Twee bloedverdunners? Echt? Hoeveel brein is er bij haar nog over dan? Me dunkt dat dat kleine beetje dat er nog van over is ook wel met één bloedverdunnertje toe kan, denk je niet? En dan nog een tweetal diuretica (plaspillen)… Mag ze niet overlijden aan de gevolgen van een hoge bloeddruk? Wil je het hart nog wat langer in ‘goede conditie’ houden? Wat wil je eigenlijk bereiken met al die medicatie?”

“Ik weet niet…”, stamelt het arme meisje. De witte jas is nu nog veel te groot voor haar.

“Vraag je je wel eens af wat het effect is van al die medicatie die ze nu van jou bij ontslag meekrijgt? Moet ze nog langer leven? Denk je dat ze morgen weer vrolijk een kopje theedrinkt met de verzorgenden in het verpleeghuis? En ze de oren van het hoofd kletst? Mag ze op haar 87e levensjaar, met een verwoest brein, binnenkort overlijden? Iets dat toch staat te gebeuren, ongeacht hoeveel pillen en poeders je door de sonde gietert? Waarom dan nog al deze pillen? Moet ze echt nog langer leven?”

Het arme meisje kleurt tot in haar hals. Ze heeft inmiddels minstens twintig soortgelijke ontslagbrieven geschreven, maar heeft er blijkbaar nooit over nagedacht. Ze weet het echt niet. En heeft geen woorden voor haar onwetendheid.

“Ik kan er niets aan doen. Zo staat het nu eenmaal in het protocol.”

En zo is dat. Het protocol. Niet nadenken, gewoon doen.

Dat deze nog jonge dokter dit gedachteloos uitvoert is één ding. Maar dat vele ervaren collega’s dit even gedachteloos accorderen, is nog veel erger. Een beetje verpleeghuisarts aan de ontvangende kant van deze ernstig geestelijk en lichamelijk kreupele mensen kan niet anders dan concluderen dat de heren en dames artsen in het ziekenhuis volstrekt van God los zijn geraakt. En dat zijn we ook.

Mevrouw verlaat het pand met een klein beschaafd handtasje aan medicatie. Alleen medicatie die hopelijk het lijden verzacht, en haar in ieder geval slapend de nacht doorbrengt. Ik weet uit eigen ervaring wat voor een verschrikking het is om mentaal stuurloos, wakend de nacht door te moeten brengen, en het lijkt me niet meer dan een vorm van empathie om haar tenminste dat te besparen. Van mij hoeft ze niets meer. Ik ga niet over de dood, en ik ga niet over het leven. Maar ik ga wel over de ontslagmedicatie.

Dat wil zeggen: ik ging over de ontslagmedicatie. Toen nog wel. Nu ga ik alleen nog over mijn eigen medicijndoos. Die ik wekelijks zorgvuldig vul, en er af en toe een beetje mee experimenteer. Een snufje meer van dit, een snufje minder van dat. Overigens niet altijd met een goed effect, maar dat is niet erg. Er is in ieder geval een persoon die erover nadenkt. Ikzelf. Zonder het protocol te raadplegen. En door de bank genomen, breng ik het er beter af dan mening dokter die mij behandelde. Tenminste, dat denk ik.

Opnieuw geesten uit het verleden, die me soms achtervolgen en soms troosten. Terug naar het verpleeghuis waar ook de polikliniek gevestigd was van het ziekenhuis waar ik jaren geleden waarnam. Op weg naar een consult in het verpleeghuis zie ik op de gang een volledig naakte oude vrouw, bij wie geen draadje vlees meer op de botten zit. Zelfs haar gezicht heeft al de vorm van een doodskop, waar voor de vorm nog wat huid overheen getrokken is. Ze ligt met de ogen dicht bewegingsloos op een brancard met gaatjes. De harde ziekenhuisdeken die over haar heen lag, is van haar afgegleden, en ze ligt op een lel huid die vroeger haar borst moet zijn geweest. Heel even denk ik dat ze al dood is, maar dan realiseer ik me dat ze voor de douche staat, te wachten op haar beurt. En wel gewoon op de gang. De menselijke waardigheid snelt de begrafenisondernemer vooruit, en staat al bij de hemelpoort te wachten, alvorens het overige deel van de lichamelijke vergane glorie aankomt. Dit pakketje vel en botten is ooit geboren, heeft ooit voor het eerst liefgehad, en waarschijnlijk ooit kinderen gebaard. Wat ervan over is, staat hier kaal, vergeeld en vergaan op de gang. Geestelijk al dood, maar dat hart, hé. Dat weet maar niet van opgeven.

Ik pak de deken van de grond en dek haar weer toe. Ik weet niet eens of ze het merkt. Heel even gaan de ogen open, maar ze ziet me niet. Ze ziet niets meer. De afzonderlijke organen kraken en piepen dat het een lieve lust is, maar een gezamenlijk besluit over het naderende einde werd nog niet genomen, elk orgaan rammelt en rochelt nog in het eigen ritme. God, waarom heeft u haar verlaten?

“Ach Heer, zou u mij dit willen besparen? Dat ik eindig op de gang van een verpleeghuis, open en bloot, lubberend, leeg en kaal, liggend op een plastic plaat met gaatjes, wachtend op een warme douche, terwijl mijn hart nog klopt, maar mijn geest het akelige restje nutteloos leven al lang heeft verlaten? Dat hoef ik niet, dat wil ik niet. Alstublieft? Wilt u mij genadig zijn? En ervoor zorgen dat mijn hart het opgeeft, voordat mijn geest dat doet? Zou u dat voor mij willen doen.”

75 jaar vrijheid en afwezigheid van oorlog heeft ons panisch gemaakt voor dood en verderf, aftakeling en ziekte, en onvermijdelijk, de dood. Die aankomende dood bannen we uit onze huizen, uit onze levens en uit onze gedachten. We stoppen de aankomende doden in het ziekenhuis, hospice en verpleeghuis. Daar hoort de dood thuis, niet in onze maatschappij, waar alles jong, mooi en hip moet zijn. Die wereld heeft geen tijd voor de dood, die moet dóór. Zelfs nadat de dood is gearriveerd besteden we zijn werk uit. Mensen worden opgebaard in de steriele gebouwen van begrafenisondernemers, en steeds minder bij mensen thuis. De dood wordt bezocht buitenshuis, maar is niet langer welkom thuis.

Op mijn tafeltje met boeken, bijeengehouden door het virtuele mandje ‘to read before I die’, ligt al maandenlang het boek van Jeroen Brouwers, ‘De zondvloed’. Het boek dat ik als 20- of 21-jarige gelezen heb, een verhaal waardoor ik weken-, zo niet maanden van mijn stuk werd gebracht. Zo intens. Zo triest. Wat was de drijfveer voor Brouwers om dit boek te schrijven? Hij wil zijn leven vastleggen: niet zijn eigen leven, maar zijn ‘geschreven’ leven. Wat echt is, doet niet ter zake, want voor Brouwers is het enige wat echt is, datgene dat hij aan het papier toevertrouwt. De geschreven waarheid, niet de ‘echte’ waarheid.

Wat maakt überhaupt dat mensen gaan schrijven? De wil om iets achter te laten? Niet voor mij. Het enige dat ik achterlaat dat van enige relevantie is, zijn mijn kinderen. De rest is stof dat opwaait in de rook van het crematorium. De vlam zal wel hoog oplaaien, gelijkend spek op de barbecue.

In de eerste hoofdstukken van ‘De Zondvloed’, zwalkt Brouwers dronken door een naargeestig, druilerig en somber bos. Zijn bos. Zijn huis is een bende, het is er donker, koud en de stank spat van het papier. Hij is op zoek naar zijn geliefde, Nachtschade. Zijn eigen huwelijk is op de klippen gelopen, en zijn nieuwe liefde keert terug naar haar echtgenoot. En dus blijft hij alleen achter. In zijn vochtige huis, in het natte bos, zichzelf verzuipend in de jenever. De lege flessen sodemietert hij door het raam naar buiten, waar ze wegzakken in de zompige bodem. Om niet gek te worden van eenzaamheid, belt hij soms in het diepst van de nacht willekeurige mensen, in de hoop om het stemgeluid te horen van iemand. Het maakt niet uit wie, als hij maar een stem hoort:

‘Hallo, hallo…”

Maar zuipen is niet aan mij besteed. Bovendien woon ik niet in een oude hut in het bos, maar aan de rand van een klein bedrijventerrein. Als ik al een fles jenever leeg zou krijgen, en ik zou proberen hem uit het raam te gooien, gooi ik letterlijk mijn eigen ruit in. Bovendien blijkt dat alcohol geen vat krijgt op mij, zelfs niet als mijn op hol geslagen gedachten door de nacht spoken, en ik alleen maar wens dat ik zou kunnen slapen, maar de slaap onbereikbaar is. Ik heb geen talent voor alcoholisme. Ik heb het geprobeerd, maar alcohol drijft me alleen maar dieper in de spelonken waar mijn angsten en zorgen heersen voor wat de toekomst nu nog voor mij schuilhoudt. Veel goeds kan het niet zijn.

“Ik leef in de toekomst”, zo sprak een beroemdheid wiens naam ik vergeten ben, “want dat is waar ik het grootste deel van de tijd die mij nog rest, door zal brengen.” Maar ik kijk niet uit naar de toekomst, de toekomst boezemt mij alleen maar angst in. Angst voor de wereld waarin ik mijn kinderen achter moet laten. Hoewel ik het geprobeerd heb, heb ik ook al niet het noodzakelijke talent om een goed stoïcijn te zijn: ik leef maar zelden in het hier en nu, maar leef vaak in spijt over het verleden, en in angst voor de toekomst. Je zou verwachten dat met het afnemen van de hoeveelheid toekomst, ook de angst zou afnemen. Maar dat is niet zo. De krimpende toekomst comprimeert de angst.

Geen TV meer. Radio alleen overdag, om de stilte te verdrijven als de kinderen naar school zijn. Soms is stilte aangenaam, soms verpletterend. Tientallen tabs die openstaan op de grote twee schermen voor mij. Alles wat ik nog wil lezen, alles wat ik nog wil begrijpen. Niet dat het van enig nut is. Net zomin als het overgrote deel van de tijd die ik in de medische wereld heb doorgebracht van enig nut is geweest. Pijntje hier, prikkeltje daar. Prikkeltje hier, pijntje daar.

Stapels papieren boeken op het tafeltje naast het bankstel, wachtend om gelezen te worden. Een zo mogelijk nog grotere stapel digitale boeken op mijn laptop en tablet. Het overgrote deel zal ik nooit kunnen lezen, omdat het me aan de tijd ontbreekt.

Ik ben terug bij af, terug bij het jongetje dat op de lagere school elke dag een grote doos boeken mee naar school zeulde, en ’s middags weer mee naar huis nam. Gevuld met boeken over oorlogstuig, vliegtuigen, marineschepen, maar ook verschillende leesboeken. Ik kon ze niet allemaal lezen, en sommige had ik meerdere keren gelezen. Ik wilde ze gewoon bij me hebben. Om ze op elk gewenst moment te kunnen lezen. De doos van vroeger is nu ingeruild voor de tablet, die ik tot voor kort ook overal mee naar toe nam. Ik heb nooit iets anders gedaan dan lezen in mijn vroege jeugd. Bij het verlaten van de lagere school werd ik voor de Nederlandse taal ingeschaald op het niveau van het gymnasium. Voor het overige zou zelfs de LTS nog een hele kluif worden, zo zei de CITO-toets. De meester wist wel beter, maar wist niet waar het met dat kleine dikke mannetje naar toe moest. Ik ging naar de MAVO, een steriele en strenge protestantse school in het dorp zeven kilometer verderop.

Waarom ik daarnaartoe ging weet ik zelf niet meer. Waarschijnlijk omdat het zo dicht mogelijk bij het ouderlijk huis was, ondanks dat ik een drukke weg over moest steken. Misschien zodat mijn moeder ons zo dicht mogelijk bij haar wilde houden, nadat mijn oudere broer omkwam toen hij bij het de weg op fietsen geschept werd door een te hard rijdende auto. Ik kan me geen dag herinneren dat ze niet zei: “Kiek ie goed uut?” Een bezwering van de dood, die ze geen dag over mocht slaan, of ze zou nog een kind verliezen. Zoals ik dat nu bij mijn dochter doe, als ze op haar fiets stapt. Ter bezwering van alle kwaad. Om de dood op afstand te houden.

Op afstand houden van mijn kinderen. Ik wil eerst.

Over de dood gesproken: Jeroen Brouwers schrijft dat iedere boom goed is om je aan op te knopen, iedere hoogte goed is om je van te pletter te storten, en ieder water goed is om je in te verdrinken. Vrolijke snuiter, die Brouwers. Hij had mijn broer kunnen zijn. Ik zie hem in mijn geheugen op bewegende beelden, inmiddels een oude man, nerveus, kettingrokend, maar nog steeds in leven. Blijkbaar heeft hij geen boom voldoende sterk ingeschat, geen hoogte hoog genoeg geacht, en geen water diep genoeg gevonden om zijn leven aan toe te vertrouwen. En dat nog wel terwijl een van zijn latere werken ‘De laatste deur’ heet, waarin een aantal schrijvers wordt beschreven die te ongeduldig waren om op de Dood te wachten, en er zelf een einde aan maakten. Ook dat boek staat op de lijst. Ik hoop dat ik er nog aan toe kom.

De ‘laatste deur’. Toch hout dus. Maar sterk hout, diep water en grote hoogten zijn aan mij niet besteedt. Ik heb behoorlijk last van hoogtevrees, en ik zou vrezen dat de tak waaraan het touw vastgeknoopt is, niet sterk genoeg is. Je zal maar met tak en al naar beneden storten, en die vervolgens op je kop krijgen. Diepe wateren genoeg, maar de verdrinkingsdood schijnt een hele nare dood te zijn, dus ook die ambitie heb ik niet. En ook zonder de ene sigaret met de andere aan te steken, en ook zonder vele flessen jenever naar binnen te gieteren zal het me wel lukken om de overtocht over de Styx te maken. Het lukt zelfs de grootste sukkels, zo bewijst de geschiedenis steeds weer, dus ik zal er ook wel in slagen. Desnoods zwem ik de rivier zelf wel over, zolang ik maar niet verdrink.

Mijn vader vertelde dat een oude buurman vele malen klagend bij zijn ouders thuiskwam dat hij het leven niet meer de moeite waard vond, en er een einde aan ging maken. Mij opa had niet veel op met klagende mensen, dus na de zoveelste keer het geweeklaag te hebben aangehoord, stelde hij voor om de buurman een handje te helpen: “Goa maor met noar de schuure. De balk’n bint stark genog, en ik heb ‘ok nog wel wat koetouw. Dan he’ij moar ‘ehad.” Maar zo moe van het leven was de buurman nog niet, en dus hij snelde het huis uit. Met die Bontes wist je het maar nooit, die ouwe Bonte zou zo maar eens de daad bij het woord kunnen voegen.  Om nooit meer terug te komen om te vertellen dat hij het leven beu was.

Psychotherapie op de boerderij. Weinig empathisch, maar zeer effectief. Soms zijn simpele behandelingen toch het allerbeste.

Terug naar het boek van Brouwers. Het opent met het volgende citaat van Kierkegaard:

‘De wereld kan worden verdeeld in mensen die schrijven en mensen die niet schrijven. Mensen die schrijven vertegenwoordigen de wanhoop en mensen die niet schrijven keuren dit af en geloven dat zij een grotere wijsheid bezitten – en toch, als zij konden schrijven, dan zouden zij hetzelfde schrijven. In de grond zijn allen even wanhopig, maar wanneer men niet de kans heeft door zijn wanhoop groot te worden, is het niet de moeite waard zijn wanhoop te laten blijken. Is dit wat het betekent de wanhoop te hebben overwonnen?’

Dit is de rauwe werkelijkheid. Brouwers schrijft uit pure wanhoop. Zoals ik dat deed. En zoals ik dat doe. Wie eenmaal de fout heeft gemaakt te beginnen met schrijven, kan niet meer niet-schrijven. Ik schilder met ruwe woorden, met lange halen en grove streken. Geen dure woorden, geen hoogdravende gedachten. Want ik heb haast, ik heb niet veel tijd meer. Ik haal mijn woorden bij de kringloopwinkel voor soms al lang vergeten auteurs, waar hun afgedankte gedachten en verhalen naar toe zijn gebracht. Gedachten en verhalen, regelmatig afkomstig van mensen die zelf het crematorium al verticaal hebben verlaten. Wier geschiedenis en leven al in rook zijn opgegaan. Of de wortels van de planten in het zorgvuldig geordende tuintje op hun buik verzorgen.

Ik schrijf om mijn melancholie te pletter te laten vallen, om mijn zwartgalligheid op te knopen aan een tak van een eikenboom die stevig genoeg is om hem te dragen, en om mijn angsten en zorgen te verzuipen in het diepste water dat ik vinden kan.

Zodat ikzelf op veilige afstand blijf van grote bomen, grote hoogten en diepe wateren.

Schrijven dus. Uit wanhoop. Pure wanhoop.