Macht en het Geweten van de Wetenschappelijke Medische Gemeenschap.

 

I never saw no miracle of science
that didn’t go from a blessing to a curse.

Sting, If I ever lose my faith in you.

 

Wat ik voorafgaande aan mijn betoog duidelijk wil maken is dat ik geen anti-vaxxer ben. Ik denk dat vaccins bijzonder succesvol zijn geweest in het verminderen van ernstige ziekte en overlijden ten gevolge van enkele virale en bacteriële ziekteverwekkers. Ik heb mijn eigen kinderen gevaccineerd tegen meningokokken serotype-W toen dat vaccin nog niet in het rijksvaccinatieprogramma zat. Ik wist namelijk hoe snel progressief en dodelijk een meningococceninfectie kan verlopen. Zelfs als kinderen de infectie overleven, zullen ze niet zelden ernstig gehandicapt door het leven moeten.

De voorbeelden van polio en pokken (smallpox) spreken het meest tot de verbeelding, maar ook het congenitaal rubellasyndroom (rodehond) kan ernstige gevolgen hebben. Dit syndroom wordt veroorzaakt door een infectie met het rubellavirus bij het ongeboren kind wanneer een moeder de infectie nog niet eerder heeft doorgemaakt. Dit syndroom wordt in Nederland vrijwel niet meer gezien. Een ander voorbeeld is de mazelen. Zelf zag ik in Duitsland twee adolescenten binnen enkele weken overlijden aan de gevolgen van een Subacute Scleroserende Panencefalitis (SSPE), een late complicatie van een infectie met het mazelenvirus. Jonge mensen takelen hierbij binnen enkele weken af tot een meelijwekkend restje mens, tot niets meer in staat, om daarna te overlijden. Het is iets dat ik nooit meer hoop mee te maken.

Waar ik me grote zorgen over maak betreft het vaccin tegen SARS-CoV-2, is de vanzelfsprekendheid waarmee veel mensen het direct of indirect verplicht stellen van vaccinatie met een nieuwe vaccintechniek accepteren. Een vaccin dat voor een groot deel van de bevolking niet of nauwelijks meerwaarde heeft, en zijn waarde qua effectiviteit en werkzaamheid nog niet bewezen heeft.

Daarover gaat dit artikel.

De (versnelde) toelatingsprocedure van de vaccins tegen COVID-19.

Op maandag 21 december 2020 kwam het mRNA-vaccin van Pfizer/BioNTech tegen COVID-19 als eerste beschikbaar in de Europese Unie, op basis van een voorlopige goedkeuring (‘Conditional Marketing Authorization’) door de European Medicines Agency (EMA).[1] Naar verwachting zal het vaccin van Moderna, eveneens gebaseerd op de mRNA-techniek, eind januari 2021 volgen.[2]

Een CMA is een toelating ‘onder voorwaarden’ en heeft een geldigheidsduur van een jaar. Na dat jaar moet de toelating formeel verlengd worden. Deze procedure is bedoeld voor slopende en levensbedreigende aandoeningen, maar ook voor zogenaamde ‘weesziekten’: zeldzame aandoeningen waarvoor meestal geen of slechts zeer beperkt behandeling mogelijk is. Het is voor het eerst dat deze versnelde procedure gebruikt wordt voor de beoordeling van een vaccin, zoals nu gedaan wordt met de vaccins tegen COVID-19.

De voorwaarden voor een geneesmiddel om voor een CMA in aanmerking te komen zijn de volgende; ten eerste moet de balans van baten en risico’s van het nieuwe medicijn positief zijn; ten tweede moet de aanvrager in staat zijn uitgebreide aanvullende data aan te leveren in het jaar na de voorlopige toelating; de derde eis is dat er sprake moet zijn van een middel dat voorziet in een medische behoefte waarin niet op een andere manier kan worden voorzien; de vierde en laatste voorwaarde is dat het voordeel van onmiddellijke beschikbaarheid van het medicijn voor patiënten naar alle waarschijnlijkheid groter is dan eventuele risico’s en nadelen, in aanmerking genomen dat de beschikbare gegevens beperkt zijn. Het is maar de vraag of de vaccins tegen COVID-19 wel voldoen aan dit vierde criterium. Een veel belangrijker vraag hierbij is: voor welke mensen voldoet het vaccin aan dit criterium?

Zoals inmiddels bekend mag worden verondersteld is SARS-CoV-2 voor kinderen en adolescenten relatief ongevaarlijk en is de Infection Fatality Rate (IFR) voor deze groep erg laag.[3] De kans op een ziekenhuisopname ten gevolge van een infectie met SARS-CoV-2 in deze leeftijdsgroepen is waarschijnlijk lager dan voor een infectie met influenza.[4] De beschikbare cijfers over de mortaliteit en morbiditeit van een infectie met influenza zijn in het verleden nooit aanleiding geweest om kinderen en adolescenten te vaccineren tegen influenza, laat staan dat er een vaccin werd ontwikkeld dat via een spoedprocedure (voorlopig) tot de markt werd toegelaten. De IFR van een infectie met SARS-CoV-2 loopt vervolgens exponentieel op met het stijgen van de leeftijd, maar is op de leeftijd van 40 jaar nog steeds niet veel hoger dan 0,1%, en komt pas op de leeftijd van ongeveer 60 jaar boven de 1%. En zoals eveneens bekend mag worden verondersteld, hebben mensen met onderliggende aandoeningen een hogere kans op ernstige ziekte en overlijden aan COVID-19.

Het is mijns inziens dan ook maar zeer de vraag of voor gezonde mensen tot een leeftijd van 55-60 jaar zonder onderliggende medische aandoeningen, überhaupt sprake is van een dringende medische noodzaak voor het toelaten van een vaccin via een versnelde procedure. Zeker omdat de data over veiligheid en effectiviteit nog erg summier zijn, en men over de veiligheid op de langere termijn nog vrijwel niets weet. Hierbij is het opmerkelijk dat uitgerekend de mensen die het hoogste risico hebben om ernstig ziek te worden of te overlijden aan COVID-19 ondervertegenwoordigd, of zelfs helemaal niet vertegenwoordigd waren in de studies naar de veiligheid en werkzaamheid van de verschillende vaccins, terwijl deze groepen in vele landen juist als eerste worden gevaccineerd. Alleen daarom al is voor die mensen een effectief en veilig vaccin van het allergrootste belang.

Bij deze wil ik meteen de stelling ontkrachten dat de relatief jongere mensen zich moeten laten vaccineren om daarmee de meer kwetsbare en oudere mensen te beschermen. Het allereerste doel van een vaccinatie is bescherming van de persoon die de vaccinatie ontvangt. Dat daarbij groepsimmuniteit ontstaat is een bijkomend voordeel, maar zelfs als de vaccinatiegraad daalt en er een nieuwe uitbraak van de ziekte komt, worden bij een goed werkend vaccin alleen de mensen ziek die geen vaccinatie hebben ontvangen, en niet de mensen die wel gevaccineerd zijn. Bovendien is er tot op de dag van vandaag geen enkel bewijs dat de ontwikkelde vaccins daadwerkelijk in staat zijn om de keten van transmissie te onderbreken, en er zijn inmiddels de nodige aanwijzingen dat dit zeer waarschijnlijk niet het geval is.

Laten we hierbij het belangrijkste principe van vaccinatie in het oog houden. Een vaccin is primair bedoeld ter bescherming van degene die gevaccineerd wordt. Bij een optimaal werkzaam vaccin zal de gevaccineerde niet alleen beschermd zijn tegen de ziekteverwekker, maar zal ook de virusoverdracht bij de gevaccineerde stoppen. Of de vaccins van Pfizer/BioNTech en Moderna hiertoe in staat zijn moet worden afgewacht, aangezien hierover tot op de dag van vandaag geen gegevens beschikbaar zijn. In ieder geval is er nu al gerede twijfel of deze vaccins hier überhaupt toe in staat zijn.[5] Terwijl het wel aannemelijk is dat de transmissie stopt na het doormaken van de infectie met het SARS-CoV-2 virus zelf, waarschijnlijk door het opwekkenan IgA-antilichamen, die via de slijmvliezen van de luchtwegen worden uitgescheiden en een eerste barrière vormen tegen SARS-CoV-2. Dit in tegenstelling tot antilichamen van de IgG-klasse, die alleen in bloed circuleren.

Anders gezegd: ongevaccineerden kunnen na infectie het virus alleen overdragen op andere ongevaccineerden. De gevaccineerden onder ons hebben bij een goed werkend vaccin niets meer te vrezen van de ongevaccineerden. Immers, alleen degene die zich niet laat vaccineren en die de infectie nog niet gehad heeft, is degene die risico loopt op de ziekte. Het optreden van groepsimmuniteit is daarom feitelijk alleen maar gunstig voor diegenen die niet gevaccineerd zijn. Groepsimmuniteit kan optreden nadat voldoende mensen in een populatie immuun zijn geworden voor de ziekteverwekker doordat ze de infectie hebben doorgemaakt, of tegen de ziekte zijn gevaccineerd. Een hoge vaccinatiegraad is slechts van belang als er mensen of kinderen zijn die bescherming nodig hebben omdat zij zich (nog) niet kunnen laten vaccineren, of vaccinatie voor hen niet effectief is. Maar daarvoor is het wel een vereiste dat vaccinatie ervoor zorgt dat gevaccineerden het virus niet verder kunnen verspreiden. Zo kunnen zuigelingen pas met 14 maanden gevaccineerd worden tegen mazelen, en worden de jongere zuigelingen beschermd door de groepsimmuniteit. Ook als we een virus uit willen roeien, zoals de pokken, is groepsimmuniteit van groot belang en moet de verspreiding van het virus bij de gevaccineerde persoon stoppen. Immers, als iemand niet ziek wordt maar het virus wel kan verspreiden, zal het nooit lukken om een virus uit te roeien. Dat doel is bij SARS-CoV-2 en ook bij de andere coronavirussen echter onbereikbaar. Het virus zal blijven circuleren (in endemische vorm), en op gezette tijden opnieuw voorbijkomen. En hoewel het virus verandert door nieuwe mutaties, blijft er voor het immuunsysteem genoeg herkenning over en zal een hernieuwde infectie daarom veel milder verlopen. Ongetwijfeld zal in de toekomst een seizoensvariant terugkeren die weer ernstiger verloopt dan deze. Daarvoor zal dan weer een nieuw vaccin nodig zijn. Dit doen we al tientallen jaren bij influenza, hoewel dit vaccin maar matig effectief is. De vaccineffectiviteit van het influenzavaccin bedraagt grofweg 50% bij een match tussen de voorspelde influenzavariant en het vaccin, maar als er een mismatch is tussen vaccin en variant bedraagt deze slechts 20%. En een studie uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde liet zien dat in een periode van elf jaar slechts in vier jaren de juiste variant voorspeld werd.[6]

Verder is het van belang om te kijken naar wat de verschillen zijn tussen de normale toelatingsprocedure voor een vaccin en de versnelde toelatingsprocedure zoals die nu wordt toegepast. Ik ontleen de volgende figuur aan de website van de EMA (het Europees Geneesmiddelen Agentschap), waar het proces van ontwikkeling, evaluatie, goedkeuring en monitoring van de verschillende vaccins tegen COVID-19 wordt beschreven:[7]

Als men bovenstaande figuren bekijkt, lijkt het alsof alle stappen van onderzoek naar de effectiviteit en werkzaamheid van de vaccins in beide toelatingsprocedures volledig worden doorlopen alvorens de vaccins worden toegepast, en dat de tijd waarin dit gebeurt het enige verschil is. De indruk die deze twee figuren wekken is dat het fase-III onderzoek op grotere groepen mensen volledig is afgerond, voordat het vaccin wordt toegelaten. Maar dat is niet zo.

Het onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van het Pfizer/BioNTech vaccin, zoals dit werd gepubliceerd in de New England Journal of Medicine[8] is een nog lopend fase-3 onderzoek, waarvan in dit artikel slechts de eerste interim-resultaten na 2 maanden werden gepubliceerd. De beoogde duur van het onderzoek is 24 maanden. Bij deze interim-analyse waren er slechts 162 mensen die werden gediagnosticeerd met ‘COVID-19’, van de in totaal 21.728 deelnemers in de placebogroep (0,75%). Ook voor de andere vaccin-trials waren de vooraf gestelde eisen aan het aantal ‘cases’ van COVID-19 om een interim-analyse uit te mogen voeren erg minimaal, variërend van 100 tot 164 cases.[9]

Verder moet in aanmerking worden genomen dat ook de meest milde uitingen van COVID-19 als ziektegevallen werden meegenomen. Eén symptoom of klacht, in combinatie met een positieve testuitslag op SARS-CoV-2, was al voldoende om de diagnose COVID-19 te mogen stellen, waarbij ook ’toegenomen spierpijn’ en ’toegenomen hoesten’ als klacht en symptoom werden meegeteld. Beide laten zich moeilijk betrouwbaar kwantificeren, en er was geen maat of getal voor wat men een toename noemde en wat niet. Was een toename van drie kuchjes per uur voldoende? Vijf wellicht? Hoeveel spierpijn moest men hebben? Alleen in de benen, ook als dit na het fietsen optrad? Of volstond ook een pijnlijke nek door een slecht kussen?  Verder blijkt uit de studie naar de werkzaamheid en effectiviteit van het Pfizer/BioNTech-vaccin niet hoe ziek de ‘cases’ waren, en zelfs niet hoe lang de klachten aanhielden. Er wordt evenmin beschreven of er verschil was in de mate van ziek zijn tussen de patiënten in de gevaccineerde groep en de placebogroep. En dat terwijl deze gegevens mijns inziens bijzonder relevant zijn om de effectiviteit van een vaccin te kunnen beoordelen. De titel van een beschouwing van William A. Haseltine, twee decennia lang hoogleraar aan de Harvard Medical School en de Harvard School of Public Health, is dan ook als volgt: ‘COVID-19 Vaccine Protocols Reveal That Trials Are Designed To Succeed’. En dat is precies wat men kan verwachten van vaccinproducenten, die als primair doel hebben om hun handelswaar zo fraai mogelijk in de etalage te zetten.

Hoe dan ook, feitelijk komt het vaccin beschikbaar ver voordat de fase-III-onderzoeken naar de werkzaamheid en veiligheid zijn afgerond, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij de normale ontwikkeling en beoordeling van een nieuw vaccin of geneesmiddel. Bovendien is er de reële dreiging dat de fase-III-onderzoeken binnenkort feitelijk beëindigd worden, omdat de vaccinproducenten het als ‘niet-ethisch’ beschouwen om de placebogroep een, in hun ogen, effectief vaccin te onthouden. Het voornemen van Pfizer/BioNTech is om de blindering van het onderzoek op te heffen en ook de deelnemers in de placebogroep het vaccin aan te bieden.[10]

Het heeft een zeker risico om het beoordelen van ethische aspecten van de geneeskunde over te laten aan producenten van medicijnen en vaccins, die deze ‘ethische principes’ niet zelden als dekmantel gebruiken om een andere en meer twijfelachtige motivatie uit het zicht te houden. Het directe gevolg van het opheffen van de blindering van het fase-III-onderzoek is dat de meest relevante uitkomstmaten voor de effectiviteit van het vaccin, zoals ziekenhuisopnames, opnames op de intensive care en sterfte, nooit meer betrouwbaar gemeten zullen kunnen worden. Een ander gevolg is dat eventuele weinig frequente, maar potentieel ernstige bijwerkingen van het vaccin nooit meer met zekerheid aan het vaccin toe kunnen worden geschreven. Hoe dan ook, het gegeven dat er een CMA is afgegeven voor het Pfizer/BioNTech-vaccin, ver voordat het fase-III-onderzoek is afgerond, is de basis voor mijn stelling dat het hier gaat om het grootste vaccinatie-experiment in de geschiedenis. En daarom zijn mijns inziens de voorwaarden voor medisch wetenschappelijk onderzoek op proefpersonen onverkort van toepassing.

De Code van Neurenberg en de Verklaring van Helsinki

In dit deel van mijn blog zal ik de verklaring van Helsinki en de Code van Neurenberg bespreken, en vooral hoe deze tot stand zijn gekomen. Centraal staat daarbij de zogenaamde ‘informed consent procedure’ van deelnemers aan wetenschappelijk onderzoek, waarbij iedere deelnemer in volledige vrijheid de keus moet hebben om deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek, en hier op geen enkele manier, direct of indirect, toe gedwongen mag worden. Verder heeft iedere deelnemer op ieder moment van het onderzoek het recht om deelname aan het experiment te staken, en verder moet iedere deelnemer volledig worden voorgelicht over de voor- en nadelen van een medisch experiment.

In dagbladen zoals de NRC, de Volkskrant en Trouw werd directe of indirecte vaccinatiedwang door onze academische elite meermaals onbeschaamd beleden. Men kan niet anders concluderen dan dat door hen de grondbeginselen van medisch wetenschappelijk onderzoek, zoals neergelegd in de Code van Neurenberg en de Verklaring van Helsinki, op een schandelijke en moreel verwerpelijke manier met voeten werden getreden.

Albert Einstein zei in 1943 het volgende over de intellectuele elite:[11]

“Our age is proud of the progress it has made in men’s intellectual development. The search and striving for truth and knowledge is one of the highest of men’s qualities – though often the pride is most loudly voiced by those who strives the least, and certainly, we should take care not to make the intellect our goal. It has of course powerful muscles but no personality. It cannot lead, it can only serve, and it is not fastidious in its choice of a leader. This characteristic is reflected in the qualities of its priests, the intellectuals. The intellect has a sharp eye for methods and tools but is blind to ends and values. So it is no wonder that this fatal blindness is handed on from old to young and today involves a whole generation.”

“In onze tijd is men trots op de vooruitgang die geboekt is in de intellectuele ontwikkeling van de mens. Het zoeken naar, en het nastreven van waarheid en kennis is een van de grootste kwaliteiten van de mens, hoewel die trots vaak het luidst wordt geuit door hen die dit het minst nastreven. En zeker, we moeten er op letten dat we het intellect niet tot ons doel maken. Het heeft natuurlijk krachtige spieren, maar geen persoonlijkheid. Het kan niet leiden, het kan alleen dienen, en het intellect is niet kieskeurig in zijn keuze voor een leider. Dit kenmerk komt tot uiting in de eigenschappen van zijn priesters, de intellectuelen. Het intellect heeft een scherp oog voor methoden en werktuigen, maar is blind voor doeleinden en waarden. Het is dus niet verwonderlijk dat deze noodlottige blindheid van oud op jong wordt doorgegeven en vandaag een hele generatie in haar greep heeft.”

In dit deel zal ik bespreken wat de Code van Neurenberg en de Verklaring van Helsinki inhouden. Het is belangrijk om te onderzoeken wat de aanleiding was voor het opstellen van deze documenten, en welke ontwikkelingen hieraan voorafgingen. Hiervoor ga ik terug naar 1933, het jaar dat Adolf Hitler als leider van de NSDAP in Duitsland aan de macht kwam. Ik schets de gebeurtenissen die in dat jaar en in de jaren daarna plaatsvonden, en waarin vele artsen, wetenschappers en intellectuelen een weerzinwekkende hoofdrol speelden.

Het Neurenberg-tribunaal

Zoals algemeen bekend mag worden verondersteld, vond kort na de Tweede Wereldoorlog het proces van Neurenberg plaats tegen de 24 kopstukken die het Naziregime vertegenwoordigden. Na dit proces volgden 12 afzonderlijke processen tegen Nazi-vertegenwoordigers uit de verschillende maatschappelijke sectoren van de  nationaalsocialistische staat. De eerste van deze rechtszaken staat bekend als de ‘Doctors’ Trial’.[12] In dit proces stonden 23 mensen terecht, op drie na allen arts. Ze werden aangeklaagd wegens misdaden tegen de menselijkheid, bestaande uit martelingen en moorden, begaan tijdens het uitvoeren van medische experimenten op gevangenen in de Duitse concentratiekampen.

Op 25 oktober 1946 werden deze 23 personen aangeklaagd bij het tribunaal. Het proces begon op 9 december 1946 en eindigde op 19 juli 1947. Onder hen waren meerdere hoogleraren en universitair hoofddocenten, verder de lijfarts van Adolf Hitler, het hoofd van het Duitse Rode Kruis, de hoogste arts-officieren van het leger en de luchtmacht, meerdere onderzoekers van verschillende universiteiten en onderzoekers van de farmaceutische industrie. Overigens hadden diverse medici al suïcide gepleegd voordat ze aangeklaagd konden worden bij het Neurenberg-tribunaal, waaronder dr. Conti, rector aan de Christian Albrecht Universiteit in Kiel, professor Holzlohner, eveneens hoogleraar aan de Universiteit van Kiel, en professor Eppinger, een beroemd pionier in de hepatologie.

Zonder twijfel de grootste en meest bekende oorlogsmisdadiger uit deze tijd, Joseph Mengele, met de bijnaam ‘Engel des Doods’, ontsnapte en vluchtte naar Zuid-Amerika. Diverse uitleveringsverzoeken van West-Duitsland werden niet ingewilligd, en ook wist hij tot aan zijn dood uit handen te blijven van de Israëlische geheime dienst, de Mossad, en van Nazi-jager Joseph Wiesenthal, hoewel alle twee intensief op hem jaagden. De ironie wil dat hij de verdrinkingsdood stierf door het optreden van een beroerte tijdens het zwemmen, en hiermee alsnog in enige mate de straf kreeg die hij ten volle had verdiend. Niet voor niets is ‘waterboarding’ een gruwelijke marteling, waarin het gevoel te verdrinken in tijd gerekt wordt.

De Doctors’ Trial werd behandeld door drie rechters, met een extra rechter die zo nodig als vervanger kon optreden. Er werden 32 getuigen gehoord namens de aanklager en 53 getuigen namens de verdediging, inclusief de 23 aangeklaagden. Door de aanklager en de verdediging werden als bewijs 1471 documenten ingebracht. Uiteindelijk werden 16 van de 23 aangeklaagden schuldig bevonden, zeven werden er vrijgesproken. Zeven van de schuldig bevonden aangeklaagden werden tot de dood veroordeeld en opgehangen in de Landsberg gevangenis. Vijf kregen een levenslange gevangenisstraf, twee kregen een gevangenisstraf van 25 jaar, één een gevangenisstraf van 15 jaar en één een gevangenisstraf van 10 jaar.

De aanklager Telford Taylor stelde in zijn openingspleidooi van de Doctors’ Trial dat het om veel meer ging dan ‘slechts’ een aanklacht wegens moord, omdat het ging om artsen die de eed van Hippocrates hadden afgelegd, met als allerbelangrijkste principe ‘allereerst niet schaden’ (primum non nocere). Hij stelde dat heel duidelijk moest worden gemaakt aan de wereld welke ideeën en motieven deze artsen zover hadden gebracht dat ze hun medemens als ‘minder dan beesten’ beschouwden, en daarbij zulke afschuwelijke wreedheden hadden begaan dat het nodig was om hen ‘uit te snijden en in de openbaarheid te brengen, alvorens een uitzaaiende kanker te worden in de schoot van de mensheid’.

Tijdens deze Doctors’ Trial werd de basis gelegd voor de ethiek van het medisch-wetenschappelijk onderzoek op proefpersonen. Centraal hierin staan drie aspecten:

  1. Proefpersonen moeten toestemming geven voor het onderzoek zonder dat er sprake is van dwang, op welke manier dan ook, om deel te nemen aan het onderzoek. Bovendien moeten zij adequaat worden voorgelicht over de eventuele risico’s van het onderzoek.
  2. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op gegevens die verkregen zijn uit dierexperimenteel onderzoek, en gegevens die bekend zijn over het natuurlijk beloop van de aandoening die bestudeerd wordt. De resultaten moeten de maatschappij ten goede komen, kunnen niet op een andere manier worden verkregen, en de studie moet zo worden opgezet dat de verkregen resultaten relevant zijn. Het onderzoek mag niet willekeurig of nutteloos zijn.
  3. Het onderzoek mag alleen worden uitgevoerd door hiervoor wetenschappelijk gekwalificeerde personen, waarbij onnodig psychisch als ook fysiek lijden wordt vermeden, en mag alleen worden uitgevoerd na adequaat verricht dierexperimenteel onderzoek dat de a priori kans op ernstig letsel of overlijden uitsluit.

De rechters van het tribunaal beseften dat de Eed van Hippocrates en het principe van ‘allereerst niet schaden’ weliswaar essentieel waren ter bescherming van proefpersonen bij medisch wetenschappelijk onderzoek, maar niet voldoende. Zij stelden een document op met 10 basisprincipes, waarin het absolute vereiste van ‘informed consent’, en het recht van de proefpersoon om op elk gewenst moment hun deelname aan het wetenschappelijk onderzoek te kunnen beëindigen, het meest opvallend waren. Dit document kennen we nu als de Code van Neurenberg.

De Code van Neurenberg wordt gezien als poging de bescherming van mensenrechten en de beginselen van de Eed van Hippocrates in één gedragscode onder te brengen. Het verenigt in zich het gegeven dat de arts-onderzoeker altijd de belangen van de proefpersoon vooropstelt, en verder dat de proefpersoon in staat is om zijn eigen belangen te behartigen en zichzelf te beschermen tegen de onderzoeker. En hoewel deze Code in geen enkel land een wettelijke status heeft gekregen, is de invloed op de bewustwording en ontwikkeling van wetgeving over mensenrechten en de medische ethiek buitengewoon groot, en zijn elementen van de Code van Neurenberg veelvuldig in nationale en internationale wetgeving terug te vinden. Ook de Verklaring van Helsinki van de World Medical Association is impliciet gebaseerd op de Code van Neurenberg.

Na de oorlog

Maar de vraag die onbeantwoord bleef na de Doctor’s trial was hoe het zover had kunnen komen met artsen die de Eed van Hippocrates afgelegd hadden, en gezworen hadden het principe ‘allereerst niet schaden’ te allen tijde te respecteren. In een artikel in het British Medical Journal van 1996 wordt een overzicht gegeven van de cruciale ontwikkelingen die ertoe leidden dat Duitse artsen hun ‘niet-arische’ medemensen als ‘minder dan beesten’ gingen beschouwen en bereid bleken te zijn de meest gruwelijke wreedheden jegens hen te begaan.[13] Het is mijns inziens een artikel dat voor iedere arts verplichte kost moet zijn, al was het maar om te leren dat artsen geenszins een beter ethisch besef of een beter werkend moreel kompas hebben dan hun niet medisch geschoolde medemens.

Daarnaast is het belangrijk dat mensen alert blijven op hun handelen en zich ervan bewust blijven dat ook nu de situatie heel snel kan escaleren. Het geloof dat iets zich nooit zal herhalen is de basis waarop die gebeurtenissen zich zullen herhalen, zoals Ludwig Wittgenstein in 1945 schreef: ‘Die Apokalyptische Ansicht der Welt ist eigentlich die, daß sich die Dinge nicht wiederholen.’ [14]

Vele artsen in Duitsland worstelden na de Tweede Wereldoorlog met de erfenis van de gruwelijkheden die hun collega’s in de oorlogstijd hun medemensen hadden aangedaan. Maar de termen ‘nazi’ en ‘nazi-experimenten’ impliceerden dat het ging om een eenmalige gebeurtenis in de geschiedenis, de essentie van ‘dass sich die Dinge nicht wiederholen’. En die geschiedenis was afgesloten, met de conclusie dat het ging om nazi’s die, vermomd als artsen, de macht in handen kregen en hun nationaalsocialistische ideologie ten uitvoer brachten. Het waren nazi’s, geen gewone mensen, en zeker geen gewone artsen. Daarom zouden dergelijke gruwelijke en massale moordpartijen zich nooit meer voor kunnen doen. Desondanks weegt deze erfenis tot op de dag van vandaag zwaar op het morele bewustzijn van Duitse artsen, en heeft zij nog steeds grote invloed op de omgang met het levenseinde in de medische setting. Zoals ik zelf heb gemerkt is het nog steeds een onderwerp dat door (vooral oudere) artsen niet graag wordt besproken. Het heeft er onder andere toe geleid dat euthanasie zoals wij dat kennen, het actief beëindigen van iemands leven op zijn of haar eigen verzoek, tot op de dag van vandaag in Duitsland ten strengste verboden is. De gemiddelde Duitse arts waagt zich niet aan een oordeel over wiens leven wel of niet (meer) de moeite waard is om geleefd te worden. En onder andere daarom wordt er in Duitsland tot het bittere eind doorbehandeld, totdat de stervende mens alleen nog met de nagels aan de rand van het graf hangt. Bovendien wordt het woord ‘euthanasie’ in Duitsland angstvallig vermeden, omdat dit woord in de nationaalsocialistische tijd werd gebruikt als eufemisme voor het vermoorden van zieke en gehandicapte mensen. In Duitsland spreekt men dan ook over ‘Sterbehilfe’ en pas sinds 2020 is de hulp bij zelfdoding in Duitsland onder strenge voorwaarden toegestaan.

Hoe heeft het zover kunnen komen?

In een poging te begrijpen waarom Duitse artsen in staat bleken te zijn tot de gruweldaden die onder het nationaalsocialistisch regime door hen gepleegd werden, eerst in de doodsziekenhuizen en later in de concentratiekampen, worden twee mogelijke verklaringen gegeven.

De eerste verklaring die wordt gegeven is het ‘slippery slope’ argument, in de Nederlandse taal vergelijkbaar met het ‘hellend vlak’ argument. Deze verklaring werd geformuleerd door professor Alexander, adviseur van de hoofdaanklager voor oorlogsmisdaden tijdens de Doctor’s trial. Volgens hem zou er onder invloed van het nationaalsocialisme sprake zijn geweest van subtiele en geleidelijke veranderingen in het collectieve bewustzijn van Duitse artsen. Aanvankelijk zou er slechts een ‘accentverschuiving’ in hun taakopvatting hebben plaatsgevonden. Deze begon met de aanvaarding van het conceptat er zoiets bestond als een leven dat niet de moeite waard was om geleefd te worden. Later zou deze opvatting uitgebreid zijn naar diegenen die ‘sociaal niet-productief’ waren, vervolgens naar mensen wiens ideologie ‘ongewenst’ was, gevolgd door mensen die ‘raciaal ongewenst’ waren, en ten slotte naar iedereen die als ‘niet-Duits’ of ‘niet-Arisch’ gezien werd. Volgens Alexander moest deze geleidelijke verandering in het arbeidsethos van Duitse artsen intensief worden onderzocht, omdat volgens hem daar de verklaring voor de begane gruweldaden gevonden zou kunnen worden.

Volgens het hellend-vlak argument waren de gebeurtenissen die tot het proces van Neurenberg leidden vergelijkbaar met een glijbaan op een helling, waarbij de ene gebeurtenis volgde op de andere, totdat uiteindelijk de zaken volledig uit de hand liepen. Vertaald naar de situatie in nationaalsocialistisch Duitsland zou deze geleidelijke verschuiving van normen en waarden van Duitse artsen uiteindelijk tot uitsluiting, mishandeling, marteling en uiteindelijk ook het massaal vermoorden van ‘ongewenste elementen’ hebben geleid.

Het hellend vlak argument was een uitermate verleidelijke verklaring voor velen, omdat op deze manier niemand verantwoordelijk gehouden kon worden voor de holocaust; niemand had deze ontwikkeling kunnen voorzien, en niemand zou in staat zijn geweest om deze ontwikkeling te stoppen. Vooral buiten Duitsland was dit een veel beleden verklaring voor de inktzwarte bladzijde in de geschiedenis van de Duitse geneeskunde.

Naast het ‘hellend vlak’-argument is er het concept van ‘plotselinge ondermijning’, dat decennialang op agressieve wijze door de Duitse Ärztekammer werd gepropageerd als verklaring voor de door Duitse artsen begane misdaden. Het lidmaatschap van de Ärztekammer is verplicht voor iedere arts. Er is een overkoepelende Bundesärzte-kammer en daarnaast heeft iedere deelstaat zijn eigen Ärztekammer. De Ärztekammers zijn tot op de dag van vandaag machtige en invloedrijke organisaties, met een uitgebreide lobby in de politiek, zowel in Berlijn als ook in de afzonderlijke deelstaten.

Volgens het concept van de plotselinge ondermijning overvielen de nieuwe machthebbers de Duitse artsengemeenschap, dwongen haar tot onderwerping om haar daarna gewelddadig te verkrachten. Om de latere voorzitter van de Ärztekammer, Dr. Karsten Vilmar, te citeren: ‘Toen de Duitse artsen uiteindelijk inzagen waar de ontwikkelingen naar toe gingen, was het te laat om nog iets te doen.’

Het argument van de plotselinge ondermijning van de Duitse geneeskunde werd voor het eerst geuit door een andere adviseur van de Amerikaanse hoofdaanklager voor oorlogsmisdaden ten tijde van de Doctor’s trial, professor A.C. Ivy. De laatste schreef: ‘Nazipropaganda was zeer effectief in het perverteren van de publieke opinie en het publieke geweten, en dat in een opmerkelijk korte tijd. De wereld weet nu dat de Nazi’s tijdens de recente oorlog mensen zonder hun toestemming als proefpersonen hebben gebruikt.’ Professor Ivy wees als verantwoordelijken kanselier Hitler en de Minister voor Volksvoorlichting en Propaganda Joseph Goebbels aan, ‘de man wiens valse propaganda en raciale opvattingen resulteerden in de meest buitensporige marteling en vernietiging van mensen in de geschiedenis van het menselijk ras’. Maar voor de uitspraken van deze getuige-deskundigen tijdens het proces van Neurenberg bestond geen enkel bewijs, en daarom werd deze verklaring gewijzigd door de voorstanders van deze hypothese. Nu zou er een iets grotere groep nazi’s verantwoordelijk zijn voor de onderwerping en verkrachting van de Duitse geneeskunde. Volgens Karsten Vilmar, president van de Bundesärztekammer van 1979 tot 1999, zou het om niet meer dan ‘hoogstens 400 nazi’s’ gaan. Waarbij hij niet aangaf hoe hij aan dit aantal kwam, en zonder te vermelden wie tot deze groep behoorde.

Het opnieuw uitvinden van de geschiedenis

De begrippen ‘hellend vlak’ en ‘plotselinge ondermijning’ waren bepalend voor de nationale en internationale beeldvorming over de rol van de Duitse artsengemeenschap in het nationaalsocialistische tijdperk. In de loop der jaren zijn deze verklaringen integraal onderdeel geworden van het publieke debat, en werden zelfs in academische kringen geaccepteerd als excuus voor het morele en ethische verval van de Duitse geneeskunde in de periode 1933-1945, zonder hiervoor enig bewijs aan te dragen. Men beperkte zich tot het psychologiseren van de daders om zo hun gruwelijke daden te verklaren, zonder acht te slaan op de historische feiten. Met andere woorden, de daders werden geherdefinieerd als zijnde de slachtoffers, om zo de geschiedenis te herschrijven. Zoals dat zo vaak gebeurt bij het terugkijken op de geschiedenis.

In het artikel in de British Medical Journal worden deze twee invloedrijke begrippen getoetst aan passages uit artikelen uit Duitse medische tijdschriften die voornamelijk in 1933 zijn gepubliceerd. Deze artikelen bestrijken de periode van vlak voor tot enkele maanden na de inauguratie van de nieuwe nationaalsocialistische regering.[15] Dit onderzoek, hoewel beperkt tot een korte periode, bevat feitelijk bewijs dat er geen ‘hellend vlak’ was of een ‘plotselinge ondermijning’ die de historische gebeurtenissen kan verklaren. Uit de artikelen komt een heel ander en veel onheilspellendere beeld naar voren over de rol die de Duitse artsengemeenschap speelde in de aanloop naar de uiteindelijke Endlösung – de ultieme oplossing – voor alle ongewenste elementen in de nationaalsocialistische maatschappij.

De meeste publicaties die in dit artikel worden gebruikt komen uit de vooraanstaande Duitse medische tijdschriften uit die tijd, die door de overgrote meerderheid van de toen ruim 50.000 artsen werd gelezen. Meer dan de helft van de geciteerde documenten is afkomstig uit het Deutsches Ärzteblatt, nog steeds het meest toonaangevende en meest gelezen algemene medische tijdschrift in Duitsland. Slechts één citaat is afkomstig uit het eveneens nog steeds prestigieuze Münchener Medizinische Wochenschrift. In het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw droeg dit tijdschrift op agressieve wijze nationalistische, antisemitische en eugenetische ideeën uit in de medische gemeenschappen van Centraal-Europa, en wel in die mate dat het in 1935 door Tsjecho-Slowakije als een fascistisch tijdschrift werd aangemerkt en de verspreiding ervan werd verboden.

Van het artikel in de BMJ werden alle publicaties uit nationaalsocialistische medische tijdschriften uitgesloten om een vertekening van het tijdsbeeld te voorkomen, hoewel deze tijdschriften in de beroepsgroep veel werden gelezen. Het was niet gemakkelijk om de geschiedenis aan de hand van medische publicaties uit die tijd te reconstrueren, aangezien de Bundesärztekammer in 1986 moest erkennen dat zij ‘ongelukkigerwijs potentieel ernstig beschamende documenten met betrekking tot hun heimelijke samenwerking met de nationaalsocialistische regering hadden vernietigd’. Daarom konden de beraadslagingen en handelingen van de vertegenwoordigers van de Duitse medische beroepsgroep in het voorjaar en de zomer van 1933 alleen nog worden gereconstrueerd door de Duitse medische tijdschriften van dat jaar handmatig te doorzoeken. Vervolgens werden de referenties door de auteurs in drie categorieën onderverdeeld: een politieke, een wetenschappelijke en een economische. Die indeling van de auteurs handhaaf ik in dit essay.

Politieke ontwikkelingen in 1933.

Op 30 januari 1933 wordt de nationaalsocialist Adolf Hitler door rijkspresident Paul von Hindenburg tot rijkskanselier benoemd. Op 5 maart worden verkiezingen voor het nieuwe parlement gehouden in een sfeer van intimidatie, waarbij de nationaalsocialisten alle hun ten dienste staande middelen aanwenden om de verkiezingscampagne van andere partijen lam te leggen en de oppositie het zwijgen op te leggen. Ondanks deze inspanningen krijgt de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) van Hitler tot zijn grote teleurstelling slechts 43,9% van de stemmen. Desondanks roept hij zichzelf uit tot de grote winnaar van de verkiezingen.[16]

Op 12 maart 1933 schrijft Dr. Karl Haedenkamp in het Deutsches Ärzteblatt: ‘De tijd van een rustige en bestendige ontwikkeling is eindelijk aangebroken. De omverwerping van de partijpolitiek heeft de weg vrijgemaakt voor echt staatsmanschap. De oppositie heeft geen mogelijkheid om de plannen van de Rijksregering omver te werpen. De parlementaire methoden van de periode na de eerste wereldoorlog hebben gefaald. De koehandel van de politieke partijen is ten einde.’ Haedenkamp is op dat moment uitvoerend directeur van de Hartmannbund, een van de twee grootste Duitse medische verenigingen.

 

Op 21 maart openen de kanselier en de rijkspresident de eerste zitting van het nieuwe parlement in de garnizoenskerk te Potsdam. Ondertussen komt Dr. Alfons Stauder, de democratisch gekozen voorzitter van de twee grootste Duitse artsen-verenigingen, de Hartmannbund en de Deutscher Ärztevereinsbund, bijeen met nationaalsocialistische collega’s in München om in een vertrouwelijke sfeer overleg te voeren. Na dit overleg laat Stauder Hitler per telegraaf weten dat ‘de belangrijkste beroepsorganisaties in Duitsland blij zijn met de vastberadenheid van de regering van Nationale Vernieuwing om een echte gemeenschap van alle rangen, beroepen en klassen op te bouwen, en zij stellen zich graag ten dienste van deze grote patriottische taak’.

Op 24 maart neemt het Duitse parlement in Berlijn de Machtigingswet aan. De wet kent dictatoriale bevoegdheden toe aan de nieuwe nationaalsocialistische regering, waarmee het Duitse parlement zichzelf buitenspel zet. In essentie wordt Duitsland op basis van deze wet tot het einde van de oorlog per decreet geregeerd. De zitting van het parlement vindt plaats in het Kroll-operagebouw, dit wegens de brand in de Reichstag van 27 februari 1933. Ten tijde van de zitting staan troepen van de SA en SS in groten getale geposteerd voor het operagebouw en een deel van hen is zelfs in de zaal aanwezig waar de zitting wordt gehouden. Op het moment dat de wet aangenomen werd, is al bijna een zesde deel van de afgevaardigden ondergedoken of gearresteerd, voornamelijk sociaal-democraten en communisten. Een kwart van de 94 sociaaldemocraten die tegen durven te stemmen, wordt later vermoord.[17]

In Neurenberg ontmoet Stauder de nationaalsocialistische collega’s in een sfeer van goede verstandhouding. Een van hen, Dr. Gerhard Wagner, wordt benoemd tot ‘commissaris’ van de Hartmannbund en de Deutscher Ärztervereinsbund. Op 30 maart kondigt Stauder aan dat hij met ‘wederzijds goedvinden’ zijn functie zal neerleggen ten gunste van zijn nationaalsocialistische collega Dr. Wagner. Het voorstel krijgt volgens Haedenkamp unanieme instemming. Hij zegt hierover verder: ‘Dr. Stauder herinnerde nadrukkelijk aan de zware arbeid die in het verleden moest worden verricht onder een politiek systeem dat voor ons allen desastreus was. De vergadering stemde eenstemmig in met de ondernomen acties, en reageerde met levendig enthousiasme op de door de voorzitter van de medische verenigingen aangekondigde plannen.’

Op 5 april ontvangt de kanselier Stauder en zet hij zijn doelstellingen uiteen. Een week later kondigt het Deutsches Ärzteblatt op de titelpagina Hitlers voornemen aan ‘om de natie, en in het bijzonder de intellectuele elite, te zuiveren van buitenlandse invloeden en besmetting door vreemde rassen. Hij [Hitler] benadrukt dat Joodse intellectuelen snel uit het culturele en geestelijke leven van Duitsland moeten worden verwijderd, zodat het natuurlijke verlangen van de natie naar een werkelijk Germaans gezag zou kunnen worden bevredigd’.

Hitler stelt: ‘De maatregelen voor rassenhygiëne die nu worden uitgevoerd, zullen pas na eeuwen hun volle effect tonen. Wat we nu moeten doen is een stevige basis leggen voor de genetische ontwikkeling van de natie. Duitse artsen worden opgeroepen aan dit werk deel te nemen door hun wetenschappelijk onderzoek, door hun verregaande onderwijs aan de bevolking, en door hun praktische hulp.’ Enkele dagen later verzekert Dr. Stauder de kanselier per telegram van ‘een vernieuwde vastberadenheid om mee te werken op het toegewezen gebied van de nationale gezondheid’.

Op 8 april stelt de Pruisische Kamer van Geneesheren in een unanieme verklaring, dat op haar eerste bijeenkomst na de nationale revolutie ‘gaarne bereid te zijn al haar energie en ervaring ten dienste te stellen van de regering van nationale wederopstanding, die zij met vreugde en dankbaarheid begroet. Als we terugdenken aan de afgelopen 15 jaar [van de Weimar Republiek] zien we dat niemand van ons ook maar één traan zal laten om de democratische regering die nu geschiedenis is geworden. Net als de overgrote meerderheid van de Duitse artsen hebben wij, voor zover dat mogelijk was met de ons ter beschikking staande middelen, de grondbeginselen van die regering verworpen en hebben wij ons verzet tegen haar beleid op het gebied van de gezondheidszorg.’

Op 18 april, ter gelegenheid van de aanstaande verjaardag van de nieuw geïnaugureerde bondskanselier, brengt de Duitse Vereniging voor Inwendige Geneeskunde op haar 45e congres in Wiesbaden, ‘haar meest oprechte gelukwensen en haar oprechte bewondering over aan de Führer van het Nieuwe Duitsland. Als Duitse artsen zien wij het als onze voornaamste taak, door onderzoek en wetenschappelijke vooruitgang, met al onze krachten te werken aan de gezondheid van de natie. Als Duitsers stellen wij ons graag ten dienste van alle inspanningen die gericht zijn op de nationale en morele vooruitgang van ons volk.’ Op 19 april telegrafeert ook de Duitse Vereniging voor Heelkunde haar eerbetoon aan kanselier Hitler en komt op haar 57e bijeenkomst in Berlijn bijeen onder het ‘Symbool van het Nieuwe Duitsland’: Het hakenkruis van de nationaalsocialisten.

Op 24 juni schrijft Haedenkamp: ‘Een nieuw tijdperk, nieuwe taken en nieuwe doelen komen in de plaats van die van vandaag. Wat de moeite van het bewaren waard is, zal worden bewaard; wat verouderd is, zal terzijde worden geschoven. In de toekomst zullen wij ons laten leiden door de sterke wil van het autoritaire leiderschap, dat zijn suprematie heeft ontvangen van de nieuwe Staat. Het dienen van deze Staat moet het enige doel zijn van het medisch beroep. Wij zijn ons bewust van de plichten die wij te vervullen hebben in naam van deze Staat. Voor zover wij die vervullen, zullen wij het recht verdienen dat ons werk wordt gerespecteerd, en in deze Staat de positie innemen die wij moeten opeisen om onze taken te vervullen.’

Haedenkamp komt zijn belofte na: In 1938 wordt de Duitse wet op de uitoefening van de geneeskunde opnieuw uitgevaardigd. Volgens Haedenkamp zal de nieuwe wet de ‘hervorming en eenmaking van de medische praktijk in geheel Duitsland bewerkstelligen’. Artsen moeten ‘alle maatregelen van de Staat ter vergroting van de raszuiverheid van de bevolking actief ondersteunen…’. Het gebruik van voorbehoedsmiddelen en abortussen is verboden zonder toestemming van de staat, maar voor eugenetische doeleinden ‘kan sterilisatie worden uitgevoerd zonder toestemming van de proefpersoon’.[18]

De nieuwe wet heeft drie expliciete doelen: ten eerste, de beroepsgroep verenigen rond hun plichten tegenover de staat: ‘de plicht van de medische beroepsgroep [is] om de gezondheid van de natie, gezonde erfelijkheid en raszuiverheid te behouden en te bevorderen’. Ten tweede, om ‘het medische beroep te beschermen tegen commercialisering’ en ten derde om de onafhankelijkheid van artsen te beperken: De wet ‘schaft veel van de vrijheden af die de arts vroeger genoot, of beperkt ze’.137

Maar ook bij het uitschakelen van tegenstanders van de nationaalsocialistische staat speelt de Duitse artsengemeenschap een kwalijke rol. Tegen 26 juli bevinden zich al ruim 700 critici van de nationaalsocialisten in ‘beschermde hechtenis’. Tegen het einde van 1933 functioneren tientallen concentratiekampen als legale instellingen, waaronder Dachau en Sachsenhausen, en worden lucratieve banen voor artsen in deze instellingen geadverteerd in medische tijdschriften. Artsen verklaren op regeringsformulieren dat gemartelde gevangenen in uitstekende gezondheid verkeren, dat uitgemergelde gevangenen zouden kunnen werken, en dat overlijdens die in gevangenschap plaatsvinden een natuurlijke oorzaak hebben. Ook vervalsen artsen veelvuldig de medische dossiers van slachtoffers en camoufleren ze de fysieke gevolgen van marteling. De zuivering van de ‘ongewenste elementen’ uit de Duitse nationaalsocialistische staat komt op stoom. En een groot deel van de Duitse artsengemeenschap verleent graag haar medewerking en neemt zelfs het voortouw.

Wetenschappelijke aspecten

In augustus 1932 wordt het derde internationale eugenetica-congres in New York georganiseerd. Tijdens het congres wordt professor Ernst Rüdin tot voorzitter gekozen. Hij is directeur van het Kaiser-Wilhelm-Instituut für Psychiatrie in München, Duitslands meest gerenommeerde instelling voor onderzoek naar de genetica van geestesziekten en ziekten van het centrale zenuwstelsel. Deze eer is symbolisch voor de wereldwijde onberispelijke academische reputatie en het wetenschappelijk excelleren van de Duitse geneeskunde. Dat een psychiater als voorzitter werd gekozen was geen toeval: door de medicalisering van psychisch leiden konden psychiaters op basis van subjectieve en theoretische criteria psychiatrische ziekten duiden en classificeren, en op basis hiervan bepalen wie wel en wie niet aan een psychiatrische aandoening leed. Het gaf ze de mogelijkheid om te bepalen wie volgens hen ‘ongeschikt’ was voor het leven, en leidde tot het op grote schaal vermoorden van psychiatrisch patiënten. Hiertegen verzette de psychiatrische beroepsgroep zich niet, in tegendeel, ze speelden een centrale rol in de ‘misdaden tegen de menselijkheid’ gepleegd in de Tweede Wereldoorlog.

De eugenetica wordt opgevat als een biologische metawetenschap van de mens, die verschillende disciplines combineert tot een vorm van preventieve geneeskunde die erfelijke ziekten tracht te definiëren en uit te roeien. Het gaat dan om disciplines zoals bevolkingsstatistiek, genetica, antropologie, psychometrische analyse, en zelfs geschiedenis en religie. De sociale gevolgen van genetische kenmerken vormen de kern van de eugenetica, ook wel ‘Rassenhygiëne’ genoemd. Het zal het centrale thema worden van de nazi-ideologie.

In november 1932 sturen de Hartmannbund en de Deutscher Ärztevereinsbund een petitie naar het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Weimar Republiek ‘met het verzoek zo spoedig mogelijk wetgeving op te stellen die sterilisatie van mannen en vrouwen op eugenetische gronden mogelijk maakt. De voortplanting van personen met een geestelijke of lichamelijke handicap van genetische oorsprong moet worden teruggedrongen om de integriteit van de genenpool van de bevolking te waarborgen’.

In januari 1933 verklaart het Deutsches Ärzteblatt dat er bij de eerstvolgende nationale bijeenkomst één hoofdthema zal zijn: ‘eugenetische vraagstukken’. De titelpagina kondigt een nationale wedstrijd aan voor het beste onderzoeksartikel over dit onderwerp met de volgende vraagstelling: ‘Op welke wijze kunnen huisartsen meewerken aan genetisch en eugenetisch onderzoek of aan het verkrijgen van menselijke specimens?’ In maart 1933 kondigt de Deutscher Ärztevereinsbund aan dat zij het initiatief zullen nemen om de leer van de eugenetica te verspreiden onder artsen. Daartoe wordt een ‘Opvoedingsbureau voor bevolkingspolitiek en rassenverbetering’ opgericht. In juni verklaart het Deutsches Ärzteblatt op de titelpagina dat het initiatief en het opvoedings-bureauals doel hebben het idee van rassenverbetering onder artsen en de bevolking te verspreiden’. Daarbij heeft de medische professie onbaatzuchtig haar diensten en middelen ingezet omet Duitse volk te beschermen tegen biogenetische degeneratie. Dit streven begint bij de algemene hygiëne en bestrijding van besmettelijke ziekten. Maar wil men de volksgezondheid verder verbeteren, zal de sociale geneeskunde zich vervolgens moeten richten op de rassenhygiëne. Er is sprake van een ontwikkeling die op logische wijze overgaat van beïnvloeding van de bevolking met alleen uitwendige middelen, naar de zorg voor de kern en het wezen van de bevolking, haar genetische samenstelling. De medische professie heeft een bijzondere verantwoordelijkheid om in het kader van de staat te werken aan de taken die bevolkingspolitiek en rassenverbetering met zich meebrengen’. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken richt een adviescommissie van deskundigen op om te helpen bij het ontwerpen en snel formuleren van eugenetische wetgeving, en benoemt professor Rüdin tot voorzitter van de commissie.

De ‘bewakers van de genetische integriteit’.

Op 1 juli laat Haedenkamp, als redacteur van het Deutsches Ärzteblatt, de nummering van het tijdschrift opnieuw beginnen, om zo het verleden af te kunnen sluiten en een nieuw begin te markeren.  Hij verkondigt: ‘Alles wat Duits en authentiek is, alles wat de Duitse stijl en de Duitse natuur belichaamt, alles wat van Duits bloed en Duitse afkomst is, dat alles alleen kan de drager van de Duitse toekomst zijn. Onze karakteristieke trekken zijn in het verleden met vreemde trekken overgoten of vermengd, vaak zelfs door hen overwoekerd en verstikt. Zelfvernieuwing is alleen mogelijk als de waarde van de eigen genetische samenstelling wordt erkend… Zonder een diep verontrustend besef van de kwetsbaarheid en dreigende degeneratie van onze genetische samenstelling is nationaal herstel ondenkbaar. De arts heeft de plicht deze kennis uit te breiden en dit bewustzijn te verdiepen. Nooit eerder was het beroep van arts zo nauw verbonden met de wijsheid en de doelstellingen van de Staat als vandaag. Des te vreugdevoller moet de beroepsgroep deze uitbreiding van haar taken verwelkomen, en de uitdaging om haar ware roeping te vervullen.’

Op 14 juli kondigt de nieuwe regering de Sterilisatiewet af, getiteld ‘Wet ter Voorkoming van Genetisch Zieke Afstamme-lingen.’ Paragraaf 12 van deze wet bepaalt dat de mutilerende operatie ‘moet worden uitgevoerd, zelfs tegen de wil van de te steriliseren persoon. De behandelende chirurg moet zo nodig hulp inroepen van de politiediensten. Als andere maatregelen niet volstaan, mag rechtstreeks geweld worden gebruikt’. De verzekeringsmaat-schappijen en degene die gesteriliseerd wordt, moeten de operatie betalen. De wet voorziet in de oprichting van een Rechtbank voor Genetische Gezondheid en een Rechtbank van Beroep voor Genetische Gezondheid, die worden toegevoegd aan de burgerlijke rechtbanken, en worden voorgezeten door een advocaat en twee artsen, van wie er één deskundig is op het gebied van de medische genetica. De wet geeft een catalogus van ‘genetische ziekten’ die onder meer psychiatrische indicaties en alcoholisme vermeldt. De artsen registreren elk geval van genetische ziekte bij hun patiënten, net zoals zij geboorten, overlijdensgevallen of geslachtsziekten registreren. Zij mogen geen informatie achterhouden en moeten aan alle procedurele verzoeken voldoen. Zij melden ook patiënten aan bij de Rechtbanken voor Genetische Gezondheid voor een uitspraak over de sterilisatiewet en zijn niet verplicht de verstrekte informatie aan deze patiënten bekend te maken. Gerechtshoven voor Genetische Gezondheid hebben een dagvaardingsbevoegdheid; hun procedures zijn geheim om de vertrouwelijkheid en privacy van patiënten te beschermen.

Eveneens op 14 juli stuurt de voorzitter van de Kaiser-Wilhelm-Vereniging, professor Max Planck, een memorandum aan de minister van Binnenlandse Zaken, waarin onder meer staat te lezen: ‘Herr Reichsminister, ik heb de eer u nederig mede te delen dat de Kaiser-Wilhelm-Vereeniging ter bevordering van de wetenschappen bereid is het Reich systematisch van dienst te zijn in alle aspecten van het onderzoek naar de rassenhygiëne. Daartoe heeft professor Planck een speciale commissie benoemd, waarin professor Rüdin zitting heeft.’

Op 29 juli drukt het Deutsches Ärzteblatt de hele Sterilisatiewet af en geeft het volgende commentaar: ‘Aangezien sterilisatie de enige zekere methode is om de overerving van geestesziekten en ernstige genetische afwijkingen te voorkomen, moet de wet worden gezien als een uiting van liefdevolle zorg voor de komende generaties, en als een daad van altruïsme.’ Professor Rüdin is co-auteur van het medische gedeelte van een begeleidende editorial. Alle artsen zijn verplicht dit aan te schaffen voor een speciale lage prijs van drie Reichsmark, omdat het een gedetailleerd addendum bevat over chirurgische procedures voor sterilisatie van mannen en vrouwen, geschreven door Duitslands toonaangevende autoriteiten op het gebied van de voortplantingsgeneeskunde.

Op 19 augustus publiceert het Deutsches Ärzteblatt een artikel, geschreven door professor Felix Lommel, met als titel ‘De arts en genetische verbetering’. In het artikel wordt gesteld dat ‘iedere arts een genetisch arts moet zijn’. Sleutelzinnen zijn ‘uitroeiing van leven dat het leven niet waard is’, ‘wettelijk opgelegde sterilisaties’, ‘het creëren van een nieuwe adel op basis van biologische kenmerken’ en ‘het doel van veredeling in het belang van het ras’. Als onderdeel van de eugenetische overwegingen wordt ‘uitroeiing van leven dat het leven niet waard is’ dus geïntroduceerd als een legitiem onderdeel van de bijscholing van artsen en wordt het een standaard technische term. Op 16 september meldt het Journal of the American Medical Association (JAMA) dat het instituut van professor Rüdin ‘een legaat van 1.000.000 dollar heeft ontvangen (…) als een hoogtepunt van vele eerdere giften’.

In oktober 1933 volgt de vervolmaking van de samenwerking tussen de nationaalsocialisten en de medische beroepsgroep: alle afzonderlijke beroepsverenigingen zijn opgeheven en vallen nu onder de in 1929 opgerichte artsenorganisatie, de Nationalsozialistischer Deutscher Ärztebund, een overkoepelende organisatie die ondergeschikt is aan het naziregime. In 1936 volgt de oprichting van de ‘Reichsärztekammer’ met als doel de publieke en private geneeskunde te controleren. Zij kreeg een wettelijk mandaat om de zogenaamde ‘Reichsärzteverordnung’ te handhaven. Dit document vormde de ethische richtlijn voor de medische praktijk in nazi-Duitsland, waarbij universele ethische normen en waarden vervangen werden door de ethiek van het nationaalsocialisme, die het artsen moreel mogelijk maakte het Duitse volk te zuiveren van ongewenste elementen, die een ‘bedreiging voor haar gezondheid’ vormden.

Ingenieurs van genetische verbetering

Op 21 december staat op de voorpagina van de New York Times het bericht dat ‘400.000 Duitsers zullen worden gesteriliseerd’. Het artikel stelt dat het programma 14 miljoen Reichsmark zou kunnen gaan kosten, maar dat het gunstig is voor de nationale economie omdat het de hoge kosten van nutteloze zorg voor mensen met een erfelijke ziekte zou besparen. Het programma zou jaarlijks zelfs een miljard Reichsmark kunnen opleveren: ‘In geen land ter wereld wordt de toegepaste wetenschap van de eugenetica actiever beoefend dan in Duitsland (…) Duitsland is de eerste van de grote naties die direct praktisch gebruik maakt van eugenetica.’ Het artikel laat duidelijk zien dat het wetenschappelijke en medische enthousiasme voor de eugenetica niet tot Duitsland beperkt bleef.

Tegen 1937 waarschuwt Dr. Wagner voor de alarmerende gevolgen van de overijverige activiteiten van de medische gemeenschap. Hij bemerkt bij de bevolking ‘een vaak bijna psychotische angst om onder de wielen van deze wet te belanden.’ Hij richt een memorandum aan kanselier Hitler waarin hij protesteert tegen ‘de sterilisatie van hele families die door de voorzienigheid niet de kans hebben gekregen om de graad van formele scholing te ontvangen die vereist is om de intelligentietests te doorstaan(…) Wetenschap moet de dienaar blijven van onze politieke principes en bedoelingen.’ Maar het mag niet baten, zijn noodkreet is aan dovemans oren gericht. In het eerste jaar ontvangen de Duitse rechtbanken voor Genetische Gezondheid 84.525 door artsen geïnitieerde aanvragen en komen tot 64.499 beslissingen, waarvan 56.244 in het voordeel van de arts. Artsen concurreren om aan de sterilisatiequota te voldoen; sterilisatieonderzoek en de techniek voor sterilisatie wordt al snel een van de grootste industrieën. Medische toeleveringsbedrijven verdienen een aanzienlijk bedrag aan het ontwerpen van sterilisatieapparatuur. Studenten geneeskunde schrijven tenminste 183 proefschriften waarin de criteria, methoden en gevolgen van sterilisatie worden onderzocht. Binnen twee jaar is tot 1% van de 17-24-jarigen gesteriliseerd (bijvoorbeeld in Thüringen). Binnen vier jaar worden bijna 300.000 mensen gesteriliseerd, waarvan tenminste de helft vanwege ‘zwakzinnigheid blijkend uit het niet slagen voor wetenschappelijk opgezette intelligentietests’.

En zo hebben de nazi’s binnen een jaar ook in de medische gemeenschap de teugels stevig in handen. Sterker nog, ze vinden binnen de artsengemeenschap een grote groep enthousiaste aanhangers van de nieuwe leer, die staan te popelen om die in de praktijk te brengen. ‘Die Endlösung’ is in aantocht.

De zuivering van genetische ballast

In 1939 komt er een einde aan eugenetische sterilisaties. Het T4 euthanasieprogramma wordt ingesteld. Dit is een centraal georganiseerd, landelijk uitgevoerd en door vakgenoten getoetst programma om volwassen en pediatrische patiënten te vermoorden die als terminaal zijn aangemerkt of volgens artsen een ‘zinloos leven’ leiden. Het programma is erop gericht om de kosten van de gezondheidszorg te beperken, door kostenefficiënt gebruik te maken van de beperkte middelen. Bovendien factureert de T4-organisatie, zoals elke andere zorgverstrekker, de medische en zorggerelateerde diensten die zij aan de verzekerden ‘verleent’. De vergoedings- en terugbetalingsstructuur, waarbij de familie van de vermoorde mensen de kosten draagt voor de ‘euthanasie’, wordt bedacht en uitgevoerd door H.J. Becker, de hoogste fiscale administrateur, en levert jaarlijks een netto-exploitatieoverschot van miljoenen Reichsmarks op.

De praktische ervaring opgedaan in de dodenziekenhuizen van het T4-programma vormt de kern van de gebruikte technologie in de vernietigingskampen, die vaak door hetzelfde technische en medische personeel wordt uitgevoerd. Op grote schaal kan de medische gemeenschap nu haar pogingen voortzetten om ‘deel te nemen aan de verwerving van menselijke pathologische preparaten’ uit de overvloed aan ‘materiaal’, verkregen uit de moordziekenhuizen, vernietigings-kampen en na voltrokken executies. Dit uiteraard ten behoeve van onderwijs en onderzoek.

Van 1933 tot 1945 ontvangt alleen al de Eberhard Karl Universiteit in Tübingen 1077 lijken van executies. In de woorden van professor Julius Hallervorden, de eminente neuro-patholoog: “Ik hoorde dat ze dat gingen doen en dus ging ik naar ze toe: “Kijk nou, jongens, als jullie al die mensen gaan vermoorden, haal dan tenminste de hersenen eruit, zodat het materiaal gebruikt kan worden.” Ze vroegen me: “Hoeveel kun je er gebruiken?”, en dus zei ik tegen hen “een onbeperkt aantal, hoe meer hoe beter.” Ik gaf ze fixeermiddelen, potten en dozen, en instructies voor het verwijderen en fixeren van de hersenen, en ze kwamen ze brengen, als ware het de bestelwagen van een meubelzaak. Er zat prachtig materiaal tussen deze hersenen, prachtige mentale afwijkingen. Ik accepteerde deze hersenen natuurlijk. Waar ze vandaan kwamen en hoe ze bij mij terechtkwamen was mijn zaak niet.”

Tussen 1940 en 1944 krijgt professor Hallervorden minstens 697 hersenen uit één moordziekenhuis.[19] [20] Maar daar blijft het niet bij.

Hallervorden is van 1929 tot 1945 als patholoog verbonden aan de pediatrische kliniek Heil- und Pflegeanstalt Görden. In zijn aanwezigheid worden 60 kinderen in het kader van het T4-programma vermoord, waarvan hij de hersenen gebruikte voor zijn wetenschappelijk onderzoek.

In 1922 beschreef deze Julias Hallervorden samen met Hugo Spatz een zeldzame en ernstige neurodegeneratieve aandoening die vaak al op jonge leeftijd begint, de ziekte van Hallervorden-Spatz. Op basis van zijn rol in de Tweede Wereldoorlog raakte dit eponiem steeds meer in onbruik, niet in de laatste plaats door de publicatie van enkele artikelen die opriepen deze naam niet meer te gebruiken. Toch staat deze naam bij vrijwel alle neurologen nog steeds in het geheugen gegrift, in tegenstelling tot de moderne naam, de panthothenate-kinase geassocieerde neurodegeneratie (PTAKN).

Overigens bleek naderhand dat niet alleen Hallervorden dankbaar gebruik maakte van de Nazi-praktijken. Veel minder bekend is dat ook Hugo Spatz voor zijn wetenschappelijk onderzoek gebruik maakte van de hersenen van slachtoffers met epilepsie die vermoord werden in het kader van het T4-programma, destijds de wetenschappelijke interesse van Spatz. Naar Spatz werd een prestigieuze prijs van de Deutsche Gesellschaft für Neurologie genoemd, waarvan de naam pas in 1998 werd veranderd.

Julius Hallervorden

Hallervorden en Spatz waren niet alleen collega’s, maar ook vrienden. Ze moeten van elkaars praktijken geweten hebben. Twee verdorven zielen, één gruwelijke gedachte.

Hallervorden en Spatz waren overigens niet de enige neuro-wetenschappers die onderzoek deden met behulp van de pathologische preparaten van de slachtoffers van het T4-programma en de concentratiekampen. Een lange reeks van prominente, maar minder bekende artsen en neurowetenschappers deden hetzelfde.[21]

Tijdens de oorlog publiceren artsen de resultaten van onderzoek op pathologische preparaten, waarbij de feiten niet of nauwelijks worden verhuld. Daarnaast worden ook vaak ‘terminale experimenten’ uitgevoerd op levende mensen, zoals de dodelijke koude onder-dompelingsexperimenten die in Dachau werden uitgevoerd onder leiding van de belangrijkste Duitse chirurg, professor Erwin Gohrband. Na de oorlog blijven artsen die voorheen betrokken waren bij het verkrijgen van menselijke specimens en nu gewoon in Oost- of West Duitsland wonen, talrijke artikelen publiceren waarin van deze preparaten gebruik wordt gemaakt. Dit duurt nog voort tot 1985. Pas in 1989 worden deze pathologische preparaten ter aarde gesteld door enkele gerenommeerde Duitse universiteiten en nationale onderzoeksinstituten.

Economische aspecten

Van 1928 tot 1932 daalt het bruto nationaal product van Duitsland met tenminste 25% als gevolg van de grote depressie, een daling die nog wordt verergerd doordat Duitsland aanzienlijke herstelbetalingen moet betalen in het kader van het Verdrag van Versailles. De werkloosheid stijgt van driekwart miljoen medio 1928 tot meer dan zes miljoen begin 1932. De belastingafdracht per hoofd van de bevolking daalt met 41% en het gemiddelde jaarlijkse belastbare inkomen van artsen met 34%. In 1933 wordt ongeveer 17% van alle artsen in Duitsland als ‘Joods’ aangemerkt. Grotere steden hebben een hoger percentage Joodse artsen (40-50% van alle artsen in Berlijn waren bijvoorbeeld Joods). Om Joods te zijn stelt het Deutsches Ärzteblatt dat ‘het volstaat dat één ouder of één grootouder niet-Arisch is’.

Begin maart 1933, enkele weken na de inauguratie van de nieuwe, en nu openlijk antisemitische regering, worden Joodse artsen in ziekenhuizen in Berlijn en Breslau (nu Wroclaw) en Joodse schoolartsen in Beieren op staande voet ontslagen. In de regio Baden mogen Joodse artsen geen verzekerde patiënten meer behandelen, hoewel zij daartoe volgens de wet nog wel gerechtigd zijn.

Op 23 maart besluiten de Hartmannbund en de Deutscher Ärztevereinsbund maatregelen te nemen tegen hun Joodse leden – maatregelen die in het hele land effect sorteren en publiekelijk worden aangekondigd in het Deutsches Ärzteblatt. De al eerdergenoemde Stauder, de hoogste en democratisch gekozen vertegenwoordiger van alle artsen, adviseert verzekeringsmaatschappijen ‘zo spoedig mogelijk Joodse artsen die in hun programma’s zijn ingeschreven, te vervangen’. Hij dringt er bij zijn Joodse collega’s binnen de beroepsorganisaties op aan onmiddellijk ontslag te nemen uit alle functies die zij bij verkiezing of benoeming bekleden.

Op 5 april ontvangt de kanselier Stauder. Een week later zegt het Deutsches Ärzteblatt in zijn verslag op de voorpagina over deze gebeurtenis: ‘De bondskanselier erkent de economische nood en de ontberingen die vaak bij de jonge artsen bestaan. Door energieke acties om ras-vreemde elementen te verwijderen, moeten voor deze jonge Duitsers kansen worden gecreëerd op het gebied van werk en bestaansruimte.’

Een Jood of een collega

Het Deutsches Ärzteblatt meldt op 6 april 1933 dat de verwijdering van Joodse collega’s uit raden en commissies van de beroepsorganisaties zonder problemen is verlopen en over het algemeen is voltooid. Voor het eerst wordt meegedeeld dat ‘Duitsers alleen door Duitsers mogen worden behandeld’. Op 8 april publiceert Haedenkamp een gedetailleerde lijst van de maatregelen tegen Joodse collega’s, die ‘inmiddels ten uitvoer zijn gelegd’. Hij merkt op dat ‘wij voorlopig nog gebonden zijn aan de bestaande wet’. Daarom moet men ervoor zorgen dat Joodse artsen niet alleen uitgesloten worden van de beroepsorganisaties, maar ook ‘uitgeschakeld worden’ voor alle beroepsfuncties in de samenleving. Hij stelt: ‘In vele delen van het land zijn grote aantallen Joodse artsen voorlopig uitgesloten van de behandeling van verzekerde patiënten.’ En: ‘De nieuwe voorschriften betreffende de toelating tot de particuliere praktijk en de behandeling van verzekerde patiënten vloeien in de eerste plaats voort uit het voornemen om een werkgelegenheidsbevorderende strategie binnen de medische beroepsgroep zelf ten uitvoer te brengen.’ Ook de Duitse Vereniging voor Interne Geneeskunde ontzegt op dat moment een van haar meest gerenommeerde leden, professor Leopold Lichtwitz, het voorzitterschap van haar 45ste congres in Wiesbaden, omdat hij ‘niet-Arisch’ is; slechts een jaar eerder had de vereniging hem tot congresvoorzitter gekozen.

Pas op 22 april 1933, vier weken na de eenzijdige actie van de artsenverenigingen, vaardigt de nieuw geïnaugureerde minister van Arbeid het eerste staatsdecreet uit tegen niet-Arische artsen. Zij mogen niet meer deelnemen aan de behandeling van verzekerde patiënten en zullen geen nieuwe vergunningen meer krijgen. De tekst van het decreet, grotendeels geformuleerd door Haedenkamp, hoewel administratief toegewezen aan het ministerie, wordt in verschillende medische tijdschriften aangekondigd. Het openbare commentaar van Haedenkamp luidt als volgt: ‘De wettelijk bindende vergunningsvoorschriften zijn nu precies geformuleerd, met de bedoeling om niet-Arische artsen uit te schakelen.’ Het organisatorische toezicht op de uitvoering van de ‘Entjudung’ wordt opgedragen aan de directeur Haedenkamp van de Hartmannbund. Op 20 mei worden in het Journal of the American Medical Association vertalingen afgedrukt van de decreten om niet-Arische artsen te degraderen en hun vergunning te ontnemen. Eveneens in mei ondertekenen Lord Rutherford, Lord Rayleigh, Sir William Bragg, professor J.S. Haldane en andere vooraanstaande Britse wetenschappers een oproep om publiekelijk te protesteren tegen het feit dat Duitse universiteiten geleerden en docenten dwingen hun posten op te geven en ‘op grond van godsdienst, politieke overtuiging of ras niet in staat zijn hun werk in hun eigen land voort te zetten’. Dit protest, dat door de Royal Society wordt gesteund, vermeldt de namen van 164 geleerden, meestal vooraanstaande professoren, die tussen 4 april en 15 mei 1933 uit hun functie werden gezet. In oktober omvat de lijst meer dan 1000 namen, en in die maand zit Lord Rutherford een protestbijeenkomst in de Londense Albert Hall voor, die 500.000 dollar opbrengt om de ontslagen geleerden te steunen. Professor Albert Einstein, die in het Engels sprak, drukte zijn diepe gevoel van dankbaarheid uit: “Een historicus die in de toekomst, wanneer Europa politiek en economisch verenigd is, een oordeel uitspreekt, zou kunnen zeggen dat de vrijheid en de eer van dit continent gered zijn door de westerse naties.”

Op 23 juni vaardigt de Duitse minister van Arbeid een decreet uit dat de beroepsactiviteiten van elke niet-Arische arts in de gezondheidszorg streng worden beperkt, zelfs als een buitengewone vergunning was verleend. Als gevolg van deze reeks decreten daalt het aantal Joodse artsen met een vergunning om verzekerde patiënten te behandelen met 31% (van 5308 tot 3641) in slechts één jaar. De vrijgekomen plaatsen worden bij voorkeur opgevuld door jonge artsen die trouw zijn aan de partij. Op 15 juli verschijnt in het Deutsches Ärzteblatt het eerste volledige artikel dat uitsluitend tegen ‘De Jood’ is gericht en vraagt: ‘Welke maatregelen zijn het meest geschikt om zijn verdere opmars te verhinderen, of om de posities die hij zich heeft toegeëigend terug te winnen?’ Op 21 juli wordt een overeenkomst aangekondigd tussen de belangrijkste medische vereniging en de verzekeringsindustrie waarin wordt gesteld ‘dat in de toekomst alleen Arische artsen in dienst zullen worden genomen, en dat niet-Arische artsen alleen vergoed zullen worden voor het behandelen van niet-Arische patiënten’.

De definitieve afrekening met Joodse artsen

Op 29 juli publiceert het Deutsches Ärzteblatt op de titelpagina het volgende decreet: ‘Het is verboden: (1) dat artsen van Duitse origine de diensten regelen met artsen van een vreemd ras; (2) dat artsen van Duitse origine patiënten doorverwijzen naar, of zorg aanvaarden voor patiënten van artsen van een vreemd ras; dat artsen van Duitse origine consultaties verrichten voor, of consulten inwinnen van, artsen van een vreemd ras. Het bezwaar maken tegen deze regeling is uitgesloten.’ Een golf van zelfmoorden onder wanhopige Joodse artsen eist enkele van Duitslands leidende arts-wetenschappers, onder wie professor Leo Langstein, ‘een van de leiders in de moderne kindergeneeskunde, wiens ‘plotselinge dood’ wordt betreurd door het Journal of the American Medical Association.’

In de zomer van 1933 worden joodse artsen door hun collega’s uitgestoten, geïsoleerd van hun patiënten en wettelijk uitgesloten van de samenleving. Deze uitbarsting, bedoeld als ‘een werkgelegenheid verhogende strategie binnen de medische beroepsgroep zelf, valt samen met een inkomensstijging van 11,3% voor artsen in de erop volgende 12 maanden. In 1935 is het gemiddelde belastbare inkomen van artsen met 25% gestegen.

Eind 1933 wordt aan het begin van het wintersemester aan de universiteit van Berlijn een mededeling opgehangen betreffende de toelating van niet-Ariërs, die inhoudt dat ‘allen die niet waren uitgesloten, in hun notulenboek een speciale aantekening zullen vinden betreffende hun toelating tot verdere studie. De niet-Ariërs krijgen een gele identificatiekaart, de ariërs een grijze… Niet-Arische medische studenten kunnen niet rekenen op een vergunning om de geneeskunde uit te oefenen.’

In 1933 worden naar schatting 9000 artsen in Duitsland als niet-Arisch aangemerkt. Tegen 1938 zullen er van deze ‘mozaïek behandelaars van zieken’, zoals ze dan officieel genoemd worden, nog maar 285 over zijn, en zij mogen alleen nog Joodse patiënten behandelen. Men schat dat van alle niet-Arische Duitse collega’s die in januari 1933 praktiseerden, minstens 5% omgekomen is door zelfmoord, minstens een kwart wordt vermoord, en degenen die overbleven overleven door te vluchten naar landen op vrijwel elk continent op aarde. In de zomer van 1936 zijn minder dan twee van elke 1000 Duitse artsen Joods. Wat de medische wereld betreft, is het beleid van de nazi’s effectief; Duitsland [is] praktisch ‘Judenrein’.

Beschouwing

Een reconstructie van de historische gebeurtenissen gebaseerd op artikelen in vooraanstaande Duitse medische tijdschriften, gepubliceerd in de periode van eind 1932 tot eind 1933, geven een goed beeld van de opvattingen en doelen van de Duitse medische gemeenschap in die tijd. Op grond hiervan kan degelijk onderbouwd worden dat de medische misdaden tegen de menselijkheid, begaan door Duitse artsen en zoals gepresenteerd tijdens het Doctor’s proces in Neurenberg, niet verklaard kunnen worden met het hellend vlak argument. En hoewel de veranderingen zich in 1933 in een tijdsbestek van slechts enkele maanden voltrokken, blijkt dat er ook geen sprake kon zijn van een plotselinge onderwerping van de Duitse geneeskunde aan, en verkrachting door de nationaalsocialisten. Veranderingen die vandaag de dag worden gezien als de oorzaak van de morele en ethische teloorgang van de Duitse medische gemeenschap, werden in die tijd enthousiast toegejuicht door het overgrote deel van de hoogopgeleide medische en wetenschappelijke elite. Dit enthousiasme werd gevoed en versterkt door bijdragen van haar vermaarde nationale en internationale vertegenwoordigers, zoals bijvoorbeeld door Dr Haedenkamp: ‘Het dienen van deze Staat moet het enige doel van de medische professie zijn’ en de stelling van Professor Planck: ‘De Kaiser-Wilhelm-Vereeniging ter bevordering van de wetenschappen is bereid om het Reich systematisch te dienen’. De Duitse medische gemeenschap wás niet het slachtoffer van de nationaalsocialisten. Integendeel, zij schaarde zich vrijwel unaniem achter de overtuigingen van de nationaalsocialisten. De Duitse medische gemeenschap stelde zich aantoonbaar als doel het beleid van de nationaalsocialisten versneld door te voeren; dit ging zo ver dat hun plannen om het Duitse volk te ‘zuiveren’ van ongewenste elementen, die van de nazi’s overtroffen, waarbij zij de antisemitische plannen van Hitler zelfs versneld uitvoerden, soms nog voordat officiële wet- en regelgeving van kracht werd. En niet alleen leverde de medische gemeenschap een essentiële bijdrage aan het realiseren van de doelen van de nationaalsocialisten, ze werd hiervoor rijkelijk beloond met een forse stijging van het inkomen.

Bovenstaande feiten ontkrachten ook de gedachte dat de Duitse geneeskunde onteerd en verkracht werd door ‘op zijn best 400’ Nazi’s. Alle prominenten van de medische beroepsgroep en haar beroepsverenigingen handelden van meet af aan rationeel, en vrijwel allemaal bleken ze ten volle bereid te zijn om de doelen van de nationaalsocialisten te bereiken. De verklaringen, programma’s en acties van deze mensen vertellen niet het verhaal van artsen die tegen hun wil werden meegesleept in handelingen die zij niet wilden verrichten, of van artsen die een pad opgingen dat ze niet wilden begaan.

De annalen van de morele en ethische teloorgang van de Duitse geneeskunde staan vol met namen van internationaal vermaarde wetenschappers zoals die van de professoren Planck, Rüdin en Hallervorden, en clinici zoals de aan Harvard opgeleide professor Georg Schaltenbrand, die neuro-immunologische experimenten uitvoerde op onwetende proefpersonen: niet in een concentratiekamp, maar aan de Julius Maximilian Universiteit van Würzburg. Het beeld van sadistische nazi-artsen en SS’ers die zich bezighouden met dodelijke experimenten in de beslotenheid van vernietigingskampen wordt algemeen beschouwd als het toonbeeld van het soort artsen dat in Neurenberg terecht stonden. Maar dat is een verkeerde voorstelling van zaken, het bewijs laat het tegenovergestelde zien. Het was de directe betrokkenheid van mensen die de hoogste professionele normen vertegenwoordigden, met vele nationale en internationale connecties, en de financiële steun die de Duitse geneeskunde en wetenschap in die tijd had verworven, die aan de basis lag van de vernietigingskampen en de Endlösung. Het waren deze mensen die weloverwogen en planmatig de experimenten ontwierpen en uitvoerden, omdat zij van mening waren dat het niet om volwaardige mensen ging, maar om inferieure schepsels waarop ethische principes niet van toepassing waren.

De les van de samenvallende belangen

Het aan de macht komen van de nationaalsocialisten zorgde voor een snelle verandering in wet- en regelgeving waar het om medisch-wetenschappelijk onderzoek ging. Zo stelde de nationaalsocialistische regering onmiddellijk wetgeving in die een grote invloed had op de hele biomedische gemeenschap. Zij hield bijvoorbeeld op met de handhaving van de buitengewoon geavanceerde wetgeving van de Weimar Republiek inzake experimenten op mensen, terwijl zij tegelijkertijd een zeer strenge en onderzoeksbeperkende wet inzake de bescherming van weten-schappelijk onderzoek op dieren ten uitvoer legde.

Belangrijker dan deze maatregelen was echter het samenkomen van anderszins gescheiden krachten die reeds bestonden in de Duitse samenleving en de medische gemeenschap voordat de nationaal-socialisten aan de macht kwamen. Als eerste was er de versmelting van de politieke doelen met de belangen van de overheid: het politieke doel van de nationaalsocialisten om het Duitse volk te ‘zuiveren’ van ongewenste genetische elementen, en het doel van de overheid om de uitgaven aan de gezondheidszorg en de kosten voor de zorg voor mindervaliden – de ‘nuttelozen’ – te beperken. Daarnaast was er de vermenging van geneeskunde en wetenschap, zodat zij een eenheid vormden met de door de staat afgekondigde doelen, hier het toegepaste middel van werden, om uiteindelijk ook de beulen van de staat te worden. En dan was er nog het samenkomen van de economische belangen van de medisch-wetenschappelijke beroepsgroepen en de heersende antisemitische doctrine.

In deze interpretatie weerspiegelen de activiteiten van personen als Stauder, Rüdin, Planck en Haedenkamp het samenvallen van voorheen gescheiden politieke, wetenschappelijke en economische krachten in één krachtige impuls die de relatie tussen de medische-wetenschappelijke gemeenschap en de overheid ingrijpend veranderde.

En de vraag is in hoeverre de lessen van de Holocaust na de oorlog ter harte werden genomen door de Duitse medische gemeenschap. Zo waren drie van de vier naoorlogse voorzitters van de Deutsche Ärztekammer, Karl Haedenkamp, Ernst Fromm en Hans Joachim Sewering, vroege en actieve leden van de beruchte Sturm Abteilung (SA) of de Schutz Staffel (SS). Dr. Haedenkamp, het meesterbrein achter de ‘Entjudung’ van de Duitse geneeskunde, reconstrueerde de naoorlogse Ärztekammer door gebruik te maken van het netwerk van de Reichsärztekammer, die in 1936 was opgericht als Duitslands enige beroepsorganisatie voor alle Arische artsen. In 1954 ontving hij voor zijn verdiensten voor de Duitse geneeskunde en de Duitse natie de hoogste burgeronderscheiding van de Bondsrepubliek. Terwijl diegenen die hem deze prijs toekenden zonder twijfel op de hoogte waren van zijn duistere verleden.

De vierde voorzitter van de kamer, Dr. Vilmar, behaalde in 1987 een klinkende herverkiezingsoverwinning nadat hij het medisch tijdschrift ‘The Lancet’ had aangevallen, nadat in dit tijdschrift niet alleen de medeplichtigheid van de medici aan de holocaust en de voorafgaande misdaden in detail werd beschreven, maar ook de chronische staat van actieve ontkenning die daarop volgde. De reacties vanuit de Duitse maatschappij die daarop volgden, drongen Vilmar en de Ärztekammer in het defensief. Desondanks vertrouwde hij in 1992 opnieuw op de algemene onwetendheid van een electoraat dat zelfs Israëlische afgevaardigden omvatte, toen hij zijn voorganger, Dr. H.J. Sewering, voordroeg als hoofd van de World Medical Association. Deze internationale organisatie werd onmiddellijk na het proces van Neurenberg opgericht om te waken voor de degradatie van de medische beroepsgroep, verpersoonlijkt door Duitse artsen die lid waren van de SS. Sewering werd verkozen tot voorzitter van de World Medical Association en was bereid om in 1993 zijn inhuldiging te vieren, samen met de 60e verjaardag van zijn inschrijving bij de SS. Protesten van het publiek in Duitsland en daarbuiten dwongen Sewering uiteindelijk tot aftreden. Al met al kan men dan ook stellen dat het jaren geduurd heeft voordat de Duitse medische gemeenschap in wilde zien welke misdaden de Duitse medische gemeenschap in het algemeen, en deze vier artsen in het bijzonder, gepleegd hadden.

En voor wie in de illusie mocht verkeren dat deze verschrikkelijke wandaden alleen mogelijk waren in de context van het nationaalsocialisme, is het wellicht goed om kennis te nemen van twee grootschalige studies die achteraf als onethisch worden beschouwd en onder zeer verschillende omstandigheden werden uitgevoerd, namelijk de ‘Tuskegee syfilisstudie’ en de ‘stralingsexperimenten’ met mensen in de Verenigde Staten.

Van 1932 tot 1972 volgde de door de staat geleide Tuskegee-studie 399 negroïde mensen buiten hun weten om in Macon County, Alabama, waarbij ijverig de spontane ontwikkeling van opzettelijk onbehandelde syfilis en de dodelijke gevolgen ervan werden onderzocht. De door de staat geleide nucleaire experimenten op mannen en vrouwen, soms zwanger, eveneens zonder dat de deelnemers hiervan op de hoogte waren, werden uitgevoerd in instellingen in de gehele Verenigde Staten; ze omvatten onder andere het inspuiten en inslikken van radio-isotopen; en werden in een intern memorandum geclassificeerd als ‘een beetje zoals in Buchenwald’. De nazi-experimenten hadden vrijwel geen effect op de onderzoekers, omdat Amerikaanse functionarissen de Duitse studies meestal afdeden als geïsoleerde daden van gestoorde wetenschappers: pure waanzin die zich nooit meer zou herhalen. Maar de notie ‘dass sich die Dinge nicht wiederholen’ bereidt juist de weg voor een gruwelijke herhaling van de geschiedenis, zoals deze twee studies pijnlijk illustreren.

De contextuele analyse van de gebeurtenissen tijdens de zomer van 1933 in Duitsland leidt niet alleen tot meer inzicht in het verleden, maar kan ook helpen de ontwikkelingen in het heden en de nabije toekomst te begrijpen. De ontwikkelingen in de geneeskunde en de maatschappij in het afgelopen decennium, met name in Noord-Amerika en Europa, kunnen opnieuw leiden tot het samenvallen van politieke, wetenschappelijke en economische krachten. Biomedische vooruitgang, fiscale beperkingen, wettelijke besluiten en overheidsvoorschriften dringen steeds meer door in de medische praktijk en het onderwijs in de geneeskunde. Deze krachten zijn misschien niet zo demonisch als ze waren in het Duitsland in de zomer van 1933, maar alleen door ze nauwlettend te observeren, kunnen we een volgende onmenselijke catastrofe voorkomen.

Naschrift

Er is veel geschreven en gezegd over de aanloop naar de tweede wereldoorlog, maar er zijn maar weinig artikelen die nauwgezet de rol van de medische gemeenschap vastleggen zoals in het artikel in de BMJ wordt gedaan. Het artikel laat zien hoe snel de wereld kan veranderen als economische, politieke en medische krachten samenvallen en zo een krachtig momentum krijgen. En er is geen enkele garantie dat zich dit in de toekomst niet opnieuw voordoet, met wederom catastrofale gevolgen: ‘de geschiedenis herhaalt zich niet exact, niet direct, maar het verleden heeft echo’s in het heden, met de Holocaust als absolute dieptepunt’.[22]  En dát er op dit moment sprake is van het samenvallen van economische, medische en politieke krachten kan mijns inziens nauwelijks ontkend worden.

Natuurlijk is de situatie bij de geboorte van de nationaalsocialistische Staat in 1933 niet een-op-een vergelijkbaar met de aanpak van de coronacrisis, zoals we die in het afgelopen jaar – tot mijn grote ontsteltenis – hebben zien ontstaan. Natuurlijk is het tijdsgewricht waarin we leven anders dan de jaren dertig van de vorige eeuw. Ook het onderwerp is anders, en ook de uitvoerders van het beleid zijn andere mensen. Maar in essentie gaat het om dezelfde gevaarlijke ontwikkelingen.

In 1933 en in de jaren erna werden steeds meer bevolkingsgroepen aangewezen die ‘genetisch inferieur’ zouden zijn, niet alleen de Joodse medemens, maar zoals bekend mag worden verondersteld ook de Roma, de Sinti en vele andere etnische minderheden, en verder de geestelijk en lichamelijk gehandicapte mensen. Het besproken artikel uit de BMJ laat goed zien hoe gelijkgerichte politieke, economische en wetenschappelijke krachten ertoe leidden dat de anti-Joodse sentimenten versmolten met de leer van de eugenetica én met de deplorabele economische toestand waarin Duitsland verkeerde. Deze situatie leidde tot een sociaal-maatschappelijk, economisch en medisch-wetenschappelijk volledig geaccepteerd ideologisch gedachtegoed waarin geen plaats was voor ‘mensen wiens leven het niet waard is om te leven’. En het is naïef om te denken dat ethische en morele normen en waarden zullen voorkómen dat de geschiedenis zich zal herhalen. Want de bittere ironie is dat Duitsland onder de nationaalsocialisten het eerste land is waar in de opleiding geneeskunde medische ethiek als verplicht vak werd gedoceerd. Maar hiermee werd geen dam opgeworpen tegen onethisch, immoreel en inhumaan gedrag, integendeel, de nieuwe ethische en morele normen en waarden werden simpelweg in overeenstemming gebracht met de leer van de eugenetica en het doel van de nationaalsocialisten: het uitroeien van alle ‘genetisch inferieure’ mensen. De ongemakkelijke waarheid is dat de Duitse medische gemeenschap niet alle ethische normen en waarden terzijde schoof, maar van mening was dat haar praktijken wel degelijk moreel en ethisch juist waren. Het vermoorden van die mensen was in die ethiek geen moord, maar een ‘daad van barmhartigheid’, met als hoger doel de ‘genetische gezondheid van het volk’.

Het uiteindelijke resultaat van het samenvallen van deze maatschappelijke krachten was een op grote schaal martelende en moordende machine, geïnitieerd door de medische beroepsgroep, wettelijk mogelijk gemaakt en krachtig ondersteund door het nationaalsocialistische regime, en wederom uitgevoerd door de medische gemeenschap. Die daarbij geen strobreed in de weg werd gelegd en niet zelden toegejuicht werd door de juridische en filosofische intelligentsia. Dát is waar een dergelijke situatie toe kan leiden, vooral als men uitgaat van de gedachte: ‘Die Apokalyptische Ansicht der Welt ist eigentlich die, daß sich die Dinge nicht wiederholen’.

Het artikel laat op een verontrustende manier zien dat de medisch-wetenschappelijke gemeenschap niet immuun is voor politieke en economische invloeden, en ook zeker niet ongevoelig is voor financieel gewin, ook niet als hiervoor grote groepen mensen met hun leven moeten betalen. Misschien nog belangrijker is de conclusie dat universele ethische normen en waarden niet in beton gegoten blijken te zijn, maar naar believen in de gewenste vorm gekneed kunnen worden. Wie de uitingen van een groot deel van de Nederlandse intellectuele elite over ongevaccineerden in de afgelopen jaren heeft gehoord en gelezen, realiseert zich dat er in dit opzicht niets is veranderd.

Het ras waartoe men behoort kan men echter niet kiezen, dit in tegenstelling tot het ondergaan van een vaccinatie. Maar de socialisten en communisten hadden in 1933 een keuze, al betekende die keuze voor een groot deel van hen ook een enkele reis naar de vernietigingskampen. Zegt de Nederlandse intellectuele elite ook over hen dat ‘keuzes nu eenmaal consequenties hebben’? Of vindt deze zelfbenoemde trots van de natie dat een ‘ongepaste vergelijking’?

Het zich al of niet laten vaccineren behoort voor eenieder te allen tijde een volledig vrije keus te zijn, en dat is het op dit moment al niet meer. Mensen, zeker werknemers in de medische wereld, durven zich niet meer openlijk uit te spreken tegen de vaccinatie en durven deze ook niet te weigeren, onder druk van de politiek, de academische elite, vele medici en niet in de laatste plaats de werkgevers. Dat is de eerste parallel met de situatie in 1933. De vrije keus voor of tegen het nemen van een vaccin is verdwenen, net zoals er geen keus was voor de ‘genetisch inferieure’ mensen in het nationaalsocialistische Duitsland; zij werden hoe dan ook gesteriliseerd of vermoord. Natuurlijk zijn er verschillen, althans, nu nog: de dwang en drang om een experimenteel vaccin te nemen waarvan men de negatieve gevolgen op de langere termijn niet weet, is niet te vergelijken met gedwongen sterilisatie of moord. Maar wat wel degelijk vergelijkbaar is, is het ontbreken van de keuzemogelijkheid in het geval van een indirecte, en zeker in het geval van een directe vaccinatiedwang. In het eerste geval wordt het leven ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt. In het tweede geval worden mensen simpelweg uit hun huizen gehaald en onder dwang geprikt. Deur na deur, arm na arm.

Verder was in de jaren 1933 de eugenetica een officiële wetenschappelijke leer die op vele Amerikaanse, Engelse en Duitse universiteiten werd onderwezen, en ook in landen buiten Duitsland op weerzinwekkende manier door vele medici in praktijk werd gebracht. En dit onder het goedkeurend oog van de politiek en met volle instemming van academici, waaronder vele rechtsgeleerden en filosofen, iets waarvan maar weinig politici, artsen en academici zich in deze tijd nog bewust lijken te zijn. Ook in de Verenigde Staten werd in de jaren ‘20 een wet ingevoerd met een min of meer gelijke strekking als de Duitse Sterilisatiewet; ‘The Law for the Prevention of Genetically Diseased Offspring’, met als gevolg dat jaarlijks in de VS zo’n 50.000 mensen tegen hun wil werden gesteriliseerd. En dat alles om de bevolking genetisch gezond te houden, al ging het ten koste van de minderbegaafde mensen. En niet alleen dat, want het ging ook ten koste van mensen die niet minderbegaafd, maar als gevolg van de sociale omstandigheden en het gebrek aan onderwijs, vooral minderbedeeld waren. Verder ging het ten koste van vele psychiatrische patiënten en raciaal ‘ongewenste elementen’, die in de VS gesteriliseerd werden, maar die in Duitsland letterlijk met hun leven betaalden voor de ‘genetische gezondheid’ van het Duitse volk. ‘Voor het hogere belang van de natie.’

En dat is precies de analogie met wat enerzijds de staat, en anderzijds rechtsgeleerden, ethici en filosofen in de afgelopen maanden predikten over het vaccin tegen het SARS-CoV-2 virus. Zij poneren dit vaccin als ultieme en enige mogelijke redding van het Volk, en zien het nemen van dit vaccin als een bittere noodzaak om het Volk gezond te houden. En zonder zich een moment te realiseren welke verstrekkende onethische en immorele implicaties hun uitspraken hebben, of deze stomweg negeren, proberen zij een heel volk te overtuigen en desnoods te dwingen zich te laten vaccineren. En wel tegen een virus dat voor het overgrote deel van diezelfde bevolking bij een infectie met SARS-CoV-2 geen ernstiger beloop kent dan het doormaken van influenza: ‘Je doet het voor een ander, niet voor jezelf’. Jawel; voor het hogere belang van de natie.

Het is weerzinwekkende en bovendien onjuiste propaganda, omdat een goed vaccin allereerst en bovenal de ontvanger beschermt. En bij een optimaal werkend vaccin stopt ook de verdere verspreiding van het virus bij de gevaccineerde persoon, waardoor deze niets meer te vrezen heeft van iemand die niet gevaccineerd is, zoals dit bij vrijwel alle vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma het geval is. Feit is echter dat we van de vaccins tegen SARS-CoV-2 helemaal niet weten of de transmissie stopt bij de ontvanger van het vaccin. Bovendien is de kans op het doormaken van ernstige ziekte of de kans om te overlijden aan COVID-19 in de leeftijdsgroep van mensen tot ongeveer 60 jaar zonder onderliggende aandoeningen zo klein dat een vaccin aan deze prognose niet of nauwelijks iets kan verbeteren. Toch wordt het belang van het individu opgeofferd aan het vermeende belang van het Volk, hoewel het in dit geval uitermate twijfelachtig is of het Volk hiermee überhaupt wel gediend is. Dat is de tweede parallel met de situatie in het nationaalsocialistische Duitsland van 1933.

Het succes dat we hebben bereikt met vaccins tegen dodelijke en mutilerende infectieziekten zoals pokken, polio en mazelen heeft ertoe geleid dat er in de bevolking en ook bij vele artsen en academici de misvatting bestaat dat vaccins enkel en alleen ten goede kunnen komen aan de bevolking, en dat er eenvoudigweg geen gevaarlijke situaties kunnen ontstaan bij massale vaccinatie van een groot deel van de bevolking met een experimenteel vaccin. Dit terwijl een vaccinatiestrategie ter bescherming van de meest kwetsbare groepen, met het hoogste risico om ernstig ziek te worden of te overlijden een vele malen effectievere, en ethisch en moreel beter te verdedigen strategie is. Het is bovendien goedkoper en sneller te implementeren, mits het om een bewezen veilig en werkzaam vaccin gaat. Dat is tot op de dag van vandaag echter nog maar de vraag. Het gaat om een nieuwe techniek van vaccinatie, op basis waarvan nog geen enkel medicijn of vaccin volgens de normale registratieprocedure toegelaten werd tot de markt, en vaccinatie met de op deze techniek gebaseerde vaccins nog nooit op deze schaal is uitgevoerd. Verder hebben de ontwikkeling van vaccins tegen het RS-virus en het denguevirus laten zien dat het symfonieorkest van het immuunsysteem zich als gevolg van vaccinatie ook tégen de bezitter kan keren. En ook met het poliovaccin hebben zich in het verleden kleine rampen voorgedaan, iets dat zich blijkbaar ook maar bij weinig medici in het geheugen heeft genesteld. Met deze voorbeelden in het achterhoofd zou het van wijsheid getuigen om voorzichtigheid te betrachten, maar die voorzichtigheid is opvallend afwezig bij vele medici en wetenschappers. De vraag of de vaccins van Pfizer/BioNTech en Moderna op de langere termijn voldoende werkzaam, en vooral voldoende veilig zijn, is nog lang niet afdoende beantwoord. Te meer als men in aanmerking neemt dat in beide registratieonderzoeken samen, na vaccinatie in totaal niet meer dan ongeveer 350 mensen in aanraking kwamen met SARS-CoV-2. Er zijn dan ook bij lange na nog niet voldoende data beschikbaar om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de veiligheid en werkzaamheid van deze nieuwe vaccins.

De derde parallel met de geboorte van de nationaalsocialistische staat is het economisch belang dat de producenten van de vaccins hebben, als machtige en commercieel gedreven biomedische bolwerken. Voor de vaccinproducenten is een vaccin dat in theorie aan de hele wereldbevolking zou moeten worden toegediend om de pandemie te beëindigen, niet minder dan de ultieme natte droom, zeker als blijkt dat de vaccinatie jaarlijks herhaald moet worden. Dit commerciële belang van de vaccin-producenten loopt parallel met het politieke belang, aangezien het vaccineren van de hele bevolking als resultaat zou moeten hebben dat de druk op de gezondheidszorg afneemt. Het is een bijzonder welkome uitweg voor diezelfde politici die in de afgelopen jaren steeds opnieuw bezuinigd hebben op gezondheidszorg, en consequent het aantal ziekenhuisbedden en IC-bedden hebben verminderd. In de afgelopen jaren zijn meerdere kleine IC’s gesloten, ondanks herhaalde waarschuwingen dat dit bij een uitbraak van een pandemie tot grote problemen zou lijden. Iets waar deze politici nu liever niet meer aan herinnerd worden. Met enig cynisme kan men zeggen dat deze regering dit vaccin heel hard nodig heeft om te maskeren dat zij, gedreven door economische motieven, de laatste jaren niets anders heeft gedaan dan bezuinigen op de gezondheidszorg. Ook daarom zijn sommige politici van mening dat het individuele belang opgeofferd moet worden voor de belangen van de vaccinproducenten en de politiek.

Wij artsen behoren echter te allen tijde alleen het belang van de individuele patiënt te behartigen. Wij mogen nooit, maar dan ook nooit de politieke belangen van de Staat dienen, zoals de Duitse artsen destijds hebben gedaan door te besluiten dat het belang van de nationaal-socialistische staat groter was het belang van de individuele patiënt. Maar mensen, en ook artsen zijn blijkbaar erg hardleers en leren weinig van de geschiedenis.

‘Yet, the power of the white coat demands, if we are to fulfil our obligations of trust, that we do not serve the state (and its economic interests), nor the patient’s family (however compassionate our motivations), nor any other ‘just cause’ or goal, including our own’.[23]

 

‘Toch, de macht van de witte jas vereist, als we aan onze verplichting van vertrouwen willen voldoen, dat we noch de staat dienen (of zijn economische belangen), noch de familie van patiënt (ongeacht de compassie van onze motivaties), noch welke ander doel of ‘nobel hoger streven’ dan ook, inclusief die van ons zelf.’

De vierde parallel is dat net als in 1933 eenieder die zich tegen dit door overheid en vermeende experts uitgedragen officiële beleid verzet of hierover kritische vragen stelt, als gevaarlijk, (rechts-)extremistisch, opruiend, ondermijnend en zelfs psychiatrisch ziek wordt weggezet, of aangeduid wordt als sociopaat of psychopaat, zoals ik ook zelf tot mijn verbijstering heb ondervonden. Het is exact de strategie die de nationaalsocialisten in 1933 succesvol hanteerden om hun tegenstanders het zwijgen op te leggen, desnoods met geweld: zoals in het afgelopen jaar BOA’s, politie en ME demonstraties tegen dit door God, rede en wetenschap verlaten overheidsbeleid uiteenslaan, over tuinschuttingen klimmen en huizen binnendringen om mensen in hun eigen huis te intimideren over futiliteiten als het niet dragen van een mondkapje, het controleren of er niet teveel bezoek in huis is of over het geen afstand houden in de buitenlucht, daar waar de kans op besmetting sowieso minimaal of helemaal niet aanwezig is. Ik hoor van een 82-jarige patiënte met ernstig COPD, een fragiele dame die echt geen mondkapje kan dragen omdat ze zonder mondkapje al Spaans benauwd is, afhankelijk is van haar rollator en openbaar vervoer, dat ze zonder pardon door twee BOA’s uit de metro wordt gezet, en zich op eigen kosten met een taxi naar huis moet laten brengen, iets dat haar karige AOW-inkomen nog verder onder druk zet. Ik zie op social media een man van 72 op zijn rug liggend, aan zijn benen een supermarkt uitgesleurd worden omdat hij geen mondkapje kan of wil dragen.Ik zie een bewaker van een supermarkt, die een bewusteloze jongen van een jaar of 16 in een wurggreep naar buiten sleept, waar hij de jongen als oud vuil op de stoep smijt, enkel en alleen omdat hij geen mondkapje droeg. Ik zie op een filmpje, opgenomen met een mobiele telefoon, hoe een Oostenrijkse vrouw die zonder mondkapje op de tram wil stappen, door een medepassagier letterlijk de tram wordt uitgeschopt. In het restaurant van het hotel waar ik verbleef, kwamen om 20:15 BOA’s binnen om te controleren of er nog alcohol in de glazen zat die op de tafels stonden, ook al ging het om drankjes als Radler, met 1% alcohol.

Dát is hoe een fascistische staat ontstaat, en ook hier heeft de omwenteling in korte tijd plaatsgevonden. Is dit het beroemde ‘gedragsexperiment’ waar Rutte c.s. op doelen? Gaat er weer hetzelfde gebeuren als mensen straks een ‘vaccinatiepaspoort’ krijgen zoals een deel van onze politici, academici en artsen dat blijkbaar willen?

Bossen, parken en stranden worden in blinde paniek afgesloten door burgemeesters, ondemocratische bestuurders zonder de minste kennis of kunde, terwijl het onwaarschijnlijk is dat op die plekken zelfs maar de geringste kans op overdracht van SARS-CoV-2 is. Vele ouderen die het in hun hoofd halen op eigen initiatief het verzorgingshuis te verlaten voor een wandeling worden tegen hun wil in quarantaine geplaatst en opgesloten op hun kamers, om te voorkomen dat ze overlijden, zodat ze nog net genoeg tijd krijgen om geestelijk en lichamelijk weg te kwijnen, feitelijk geplaatst in ‘beschermde hechtenis’, zoals dat dan heet. Niet zelden zonder dat het ze gevraagd wordt, worden ze bij herhaling getest op SARS-CoV-2, en anders ‘voor hun eigen bestwil’ op hun kamer opgesloten. Voor het hogere doel van de natie. Om het Nederlands Volk ‘gezond’ te houden. Tot het door de regering, vele artsen en academici zo vurig gewenste vaccin ons komt verlossen.

In rap tempo worden nu onze meest basale rechten afgenomen, werd de grondwet door een spoedwet opzijgeschoven, enkel en alleen vanwege een ‘search & destroy’ strategie ter bestrijding van een relatief onschuldig virus. Een virus dat zich tot nu toe op geen enkele manier heeft laten beteugelen door de volstrekt belachelijke, achterhaalde, zo niet middeleeuwse maatregelen als een anderhalve meter-maatschappij, mondmaskers of lockdowns. En welk programma ik ook kijk, de politieke, academische en medische elite knikt instemmend, keurt het allemaal goed en zegt, tegen alle beschikbare wetenschappelijke kennis in, dat het niet anders kan en dat dit de beste manier is om dit virus te bestrijden. En zij kneedt en boetseert, net zoals de Duitse intellectuele elite dat deed, de moraliteit en ethiek in de vorm zoals die zij wenst, om dit verwerpelijke gedachtegoed als rechtvaardig en ethisch juist aan het volk te verkopen. Vol enthousiasme en in volle overtuiging: ‘Voor het hogere doel van de natie’. Voor de gezondheid van het Volk.

Zoals ik hier nogmaals benadruk: het uitrollen van een mRNA-vaccin, of het nu van Pfizer/BioNTech of Moderna is, is niets anders dan een massaal vaccin-experiment dat rechtstreeks onder de Code van Neurenberg valt, zo niet wettelijk, dan toch op zijn minst moreel en ethisch. Er dient dan ook aan twee voorwaarden te worden voldaan, en wel als eerste aan de absolute eis tot een eerlijke en volledige ‘informed consent’, waarin aan de potentiële ontvanger wordt verteld wat we wél, maar toch ook vooral wat we (nog) niét weten. En ten tweede een absolute eis tot vrijwillige deelname aan dit experiment, zonder enige druk van politiek, werkgevers, medici of academische elite. Waar het de informed consent betreft, blijft de Nederlandse Staat ernstig in gebreke, en verlenen vele medici en academici met stilzwijgende goedkeuring hun medewerking aan dit grootste vaccinexperiment ooit en verzaken hun plicht tot het geven van informed consent, terwijl wij als artsen ten alle tijde primair het belang van de individu in acht moeten nemen, in plaats van het vermeende theoretische belang van het volk. Men dient ten alle tijde voor ieder individu de nog onbekende en potentieel ernstige risico’s af te wegen tegen de vermeende voordelen, zeker in het geval van een infectieziekte die bij een 85-jarige een ongeveer 10.000 hoger risico geeft op overlijden dan bij een 16-jarige. Die vermeende voordelen zijn er voor kinderen niet en de voordelen voor volwassen tot 55 zijn relatief klein. En over de mogelijke en potentieel ernstige risico’s is nog nagenoeg niets bekend.

Waar het de vrijwillige deelname aan dit massale vaccin-experiment betreft is een vaccinatieplicht, direct of indirect, moreel en ethisch absoluut onaanvaardbaar. Dit des te meer, omdat per definitie niet kan worden voldaan aan een derde voorwaarde, zoals geformuleerd in de Code van Neurenberg, namelijk het recht om het experiment te beëindigen op elk willekeurig moment dat de deelnemer daartoe besluit. Als een vaccin eenmaal is toegediend en tot onacceptabele bijwerkingen blijkt te leiden, kan dit niet meer ongedaan worden gemaakt. Wie eenmaal besloten heeft om deel te nemen aan dit experiment, kán niet meer besluiten om deelname aan het experiment te beëindigen en moet er maar het beste van hopen.

Ik besluit met de stelling dat als de geschiedenis ons één ding heeft willen leren, het wel het volgende is: de gebeurtenissen zoals die plaatsvonden in 1933 en de jaren erna hebben ons laten zien dat de ethische en morele aspecten van een te voeren beleid niet als vanzelfsprekend overgelaten kunnen worden aan wetenschappers, rechtsgeleerden en artsen, en al helemaal niet aan commercieel ingestelde biomedische bedrijven, omdat het absoluut niet veilig is om dat oordeel aan hen over te laten.[24] En dat geldt ook zeker voor het beleid rondom het massale vaccinatie-experiment dat nu uitgevoerd wordt. Het openlijk pleiten voor een directe of indirecte vaccinatiedwang door academici als Roland Pierik, Marcel Verweij, Brigit Toebes, Gert van Dijk en Martin Buijsen, is hiervan een goed voorbeeld. Het is een moreel en ethisch verwerpelijk standpunt omdat het, op wat voor manier dan ook, onderscheid maakt tussen verschillende groepen mensen, of het nu op basis is van geloof, huidskleur, ras of overtuiging. Niet zelden is dit het begin van discriminatie, regelmatig gevolgd door het beperken van rechten van burgers. Dit wordt nu al openlijk als rechtvaardig beleden door deze intellectuele elite, waardoor uitstoting uit het sociaal-maatschappelijke leven de volgende logische stap is. Verder dan dat wil en kan ik niet denken, maar de geschiedenis heeft ons meerdere malen geprobeerd te dat de gevolgen nog veel afgrijselijker kunnen zijn.

Lees wat de nazi-arts Rudolf Ramm hierover zei in zijn boek ‘Ärztliche Rechts- und Standeskunde’, het voor Duitse geneeskundestudenten verplichte leerboek over medische ethiek ten tijde van het nationaalsocialisme: “Hoewel de arts verplicht is de patiënt de noodzaak en de mogelijke gevolgen van een ingreep uit te leggen en de uitvoering ervan in het algemeen van zijn toestemming afhankelijk te maken, zijn er situaties waarin de patiënt verplicht is de ingreep te ondergaan, wil hij geen gevaar lopen zijn sociale zekerheid te verliezen…”

Wellicht doen bovengenoemde rechtsgeleerden en filosofen er goed aan de geschiedenis grondig te bestuderen en de lessen die hieruit getrokken kunnen worden ter harte te nemen.

Directe of indirecte vaccinatiedwang: Het mag niet. Het mag nooit.

 

 

[1] Conditional Marketing Authorisation. European Medicines Agency. https://www.ema.europa.eu/en/human-regulatory/marketing-authorisation/conditional-marketing-authorisation.
[2] EMA receives application for conditional marketing authorisation of Moderna COVID-19 vaccine. European Medicines Agency. News, 1 December 2020. https://www.ema.europa.eu/en/news/ema-receives-application-conditional-marketing-authorisation-moderna-covid-19-vaccine.
[3] Levin, A.T., Hanage, W.P., Owusu-Boaitey, N. et al. Assessing the age specificity of infection fatality rates for COVID-19: systematic review, meta-analysis, and public policy implications. Eur J Epidemiol 35, 1123–1138 (2020).
[4] Piroth L, Cottenet J, Mariet AS, et al. Comparison of the characteristics, morbidity, and mortality of COVID-19 and seasonal influenza: a nationwide, population-based retrospective cohort study. The Lancet Respiratory Medicine. 2021;9(3):251-259.
[5] Peiris M, Leung GM. What can we expect from first-generation COVID-19 vaccines? The Lancet. 2020;396(10261):1467-1469
[6] Effectiviteit van influenzavaccinatie in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;161:D1648.
[7] COVID-19 vaccines: development, evaluation, approval and monitoring. European Medicines Agency.
[8] Safety and Efficacy of the BNT162b2 mRNA Covid-19 Vaccine. N Engl J Med 2020; 383:2603-2615.
[9] Covid-19 Vaccine Protocols Reveal That Trials Are Designed To Succeed. William A Haseltine, Forbes Healthcare, 23 September 2020.
[10] Covid-19: Should vaccine trials be unblinded? BMJ 2020;371:m4956.
[11] “The Goal of Human Existence” Albert Einstein, 1943 Source: Broadcast on behalf of the United Jewish Appeal, November 4, 1943.
[12] Fifty Years Later: The Significance of the Nuremberg Code. N Engl J Med 1997; 337:1436-1440.
[13] Not a slippery slope or sudden subversion: German Medicine and national socialism in 1993. BMJ 1996 Dec 7; 313(7070): 1453–1463.
[14] Ludwig Wittgenstein, vermischte Bemerkungen, Frankfurt 1977: 107.
[15] Hanauske-Abel HM. Not a slippery slope or sudden subversion: German medicine and national socialism in 1933. BMJ. 1996 Dec 7;313(7070):1453-63.
[16] Germany 1933: From democracy to dictatorship. Anne Frank House. https://www.annefrank.org/en/anne-frank/go-in-depth/germany-1933-democracy-dictatorship/.
[17] 23 März 1933 – Reichstag verabschiedet „Ermächtigungsgesetz“. WDR, 23.03.2013. https://www1.wdr.de/stichtag/stichtag7346.html.
[18] Bioethics and the Holocaust: A Comprehensive Study in How the Holocaust Continues to Shape the Ethics of Health, Medicine and Human Rights. https://doi.org/10.1007/978-3-031-01987-6.
[19] Zeidman LA, Pandey DK. Declining use of the Hallervorden-Spatz disease eponym in the last two decades. J Child Neurol. 2012 Oct;27(10):1310-5.
[20] Voges L, Kupsch A. Renaming of Hallervorden-Spatz disease: the second man behind the name of the disease. J Neural Transm (Vienna). 2021 Nov;128(11):1635-1640.
[21] Zeidman LA. Neuroscience in Nazi Europe part I: eugenics, human experimentation, and mass murder. Can J Neurol Sci. 2011 Sep;38(5):696-703.
[22] Bioethics and the Holocaust: A Comprehensive Study in How the Holocaust Continues to Shape the Ethics of Health, Medicine and Human Rights. https://doi.org/10.1007/978-3-031-01987-6.
[23] Why Did So Many Doctors Become Nazis? Tablet Magazine; December 10, 2020. https://www.tabletmag.com/sections/history/articles/fernandes-doctors-who-became-nazis.
[24] The issues raised by the Nuremberg trials are as relevant to medicine in 1996 (and 2020) as in 1946. Richard Smith, editor of BMJ tot 2004, Richard Smith’s non-medical blogs.
https://richardswsmith.wordpress.com/2020/11/20/the-issues-raised-by-the-nuremberg-trials-are-as-relevant-to-medicine-in-1996-and-2020-as-in-1946/.